Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn groote belezenheid in de Portugeesche en Spaansche letterkunde. Teruggekeerd kreeg hij een plaats bij de rechtsinstelling Gray's Inn, verzoende zich met de bestaande toestanden, werd een tegenstander van de veroveringszucht van Frankrijk en ontvouwde als schrijver een groote werkkracht. In 1800 is hij weer in Portugal; daarna betrok hij echter een villa te Greta in het Lakedistrikt en bleef daar al* gelukkig huisvader tot het einde van zijn leven. In 1807 ontving hij een staatspensioen en werd in 1813 ■poet-laureate. Sedert 1839 was hij, ten gevolge van een verlamming, bewusteloos. Hij overleed den 218tcn Maart 1843 te Greta aan het Meer van Keswick. Zijn werkzaamheid als schrijver is zeer omvangrijk; hij schreef 109 deelen en bovendien 52 artikelen in verschillende tijdschriften. Zijn epos „Thalaba the destroyer"(1801), in rijmlooze verzen, had invloed op W. Scott en Shelley; „Madoc"(1805) behandelt een sage van Wallis. „The cnrse of Kehama"(1810), zijn grootste dichtwerk, onderscheiden Hind'iesagen, „Roderick, the last of the Goths"(1814) de verwoesting van het WestGotisch rijk. Als hofdichter verheerlijkte hij in het „Carmen triumphale" de overwinningen van Wellington, terwijl hij voorts oden schreef ter eere van den prins-regent en van de verbonden monarchen. Zijn „Vision of judgement" (1821), na den dood van Oeorge III geschreven, werd door Byron, in dat gedicht het hoofd van de school des Satans genoemd, meedoogenloos gegeeseld. Als dichter bezit hij handigheid van vorm, echter geen diepte, wordt daarom hongstens in uittreksels gelezen. Als prozaschrijver heeft hij zich bemind gemaakt door zijn dikwijls herdrukt „Life of Nelson" (1813), waarbij zich „Lives of the British admirals" (4 dln.) en „Life of Wesley"(1820) aansloten. Ook liet hij na een „History of Braziel"(3 dln. 1810— 1819), „History of the Peninsular war"(2 dln., 1823—1828), „The book of the church"(3de druk, 1825), „Letters from Engeland by Don Manuel Espriella"(3 dln., 1807) en „Colloquies on the progress and prospect of society"(2 dln., 1829). Allerlei lees vruchten en beschouwingen heeft hij geplaatst in „The Doctor"(5 dln., 1834—1837) en „Omniana"(2 dln., 1812). Ten slotte gaf hij de „Select works of British poets from Chaucer to Jonson"(1831) evenals omwerkingen van romans uit de Middeleeuwen uit (bijv. „Amadis of Gaul" 4 dln., 1803). De „Poetical works" van Southey verschenen verzameld in 11 deelen in 1820, in 10 deelen iti 1854 en 1 deel in 1863.

South Omaha is een plaats in den N. Amerikaanschen staat Nebraska, Z. lijk van Omaha, waarvan het de voorstad is, aan den Missouri gelegen. Het bezit omvangrijke exportslachterij en kuiperij en telt (1900) 26001 inwoners.

Southport is een geliefkoosde zeebadplaats in Lancashire (Engeland), 20 km. N. lijk van Liverpool gelegen en voorzien van allerlei gerieflijkheden voor badgasten als: een wintertuin, een aquarium, een schouwburg, een wandelpier (1 k m.) een overdekte markt, een concertzaal, een bibliotheek met museum, een botanischen tuin, verschillende parken en geneeskundige inrichtingen. Southport, dat eerst in 1792 gesticht werd, telt (1901) 48083 inwoners. 3 km. Z. W. lijk ligt Birkdale met een inrichting voor watergeneeswijze en een Katholiek verbeteringsgesticht. Het telt 14197 inwoners.

Sontman, Pieler Claesz, een Hollandsch schilder en graveur, werd geboren te Haarlem omstreeks 1580 en overleed aldaar in 1657. In 1629 ging hij naar Antwerpen om zich onder Rubens' leiding verder te bekwamen. Soutman is bekend door zijn prenten naar Rubens, Van Dijck, Eonthorst e. a. Schilderijen van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Huis ten Bosch te 's Gravenhage (Soutman werkte mee aan de beschildering van de Oranjezaal aldaar) en in het stedelijk museum te Haarlem.

Souverein noemt men in den staat dengene, die met het hoogste gezag bekleed en van geen ander gezag afhankelijk is. Dat hoogste gezag zelf draagt den naam van Souvereiniteit. Zijn daaraan bepaalde rechten, zooals de vorstelijke praerogatieven, verbonden, dan heeten deze souvereiniteitsrechten. De souvereiniteit in een staat kan opgedragen zijn aan een bepaald persoon, zooals in een monarchie, maar ook aan het geheele volk, zooals in een republiek. Men spreekt ook wel van volkssouvereiniteit in een constitutionneel-monarchalen staat, en dan wordt daarmede bedoeld, dat aan de bevoegde burgers in zoodanigen staat aandeel in en invloed op het regeeringsbeleid is toegekend. In ons vaderland, berustte vóór het jaar 1795 de souvereiniteit bij de verschillende provincies; om die reden gaf men aan koning Willem 1 in 1813 den titel van „souverein vorst", om te kennen te geven, dat de souvereiniteit der afzonderlijke gewesten voor goed was afgeschaft. In de dagen van het leenstelsel had men weinig souvereine vorsten, omdat de meesten zich gedrongen gevoelden, hun landen aan machtiger heeren dan zij op te dragen en ze van dezen in leen te ontvangen; doch daarbij gingen de souvereiniteitsrechten op den landheer over.

Souvereiniteit. Zie Souverein.

Souvestre, Emile, een Fransch romanschrijver en tooneeldichter, geboren den 15aci1 April 1806 te Morlaix (Finistère), vestigde zich in 1836 te Parijs, maakte zich bekend door zijn schetsen uit Bretagne, zooals: „Le Finistère en 1836" en „La Bretagne pittoresque" (1841), en leverde daarna een groot aantal romans, drama's en vaudevilles. Tot zijn beste romans behooren: „Riche et pauvre" (1836), „Les derniers Bretons" (1837) „Pierre et Jean" (2 dln., 1842) „Les Réprouvés et les Elus" (4 dln., 1845), „Confessions d'un ouvrier" (1851), de door de academie bekroonde, „Un philosophe sous les toits", „Au coin du feu" en „Sous la tonnelle" (1851) en „Le mémorial de la familie" (1854). Van zijn drama's noemen wij: „Henri Hamelin", L'oncle Baptiste", „La Parisienne", „Le Mousse" enz; verder noemen wij nog zijn geestige „Causeries historiques etlittéraires" (2 dln., 1854). Hij overleed te Parijs den 5den Juli 1854. Zijn gezamenlijke werken beslaan 60 deelen van de „Collection Lévy".

Souza, Adelaïde, gravin van Fldhault, daarna markiezin van Souza, geboren Filleul, een Fransch schrijfster, den 14den Mei 1761 te Parijs geboren, trad in 1784 in het huwelijk met den graaf Flahault, vluchtte, nadat deze in 1793 geguillotineerd was, met haar zoon (later generaal FlahauU) naar Engeland en was aldaar genoodzaakt door de pen in haar onderhond te voorzien. Daardoor ontstonden: „Adèle de Sénange" (2 dln., 1794), en de roman: „Emilie et Alphonse" (3 dln., 1799). In 1798 ver-

Sluiten