Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na" enz. vertalen en schreef de „Septenario." Zijn voorbeeld vond veel navolging, zijn kleinzoon Juan Manuel behoort eveneens tot de beste Oud-Spaansche prozaïsten, zijn meest beroemde werk is de novellenbundel „Libro de Patronio" of „Conde Ducanor." Ook werden vele Frankische en Britsche en klassieke prozaromans uit het Fransch in het Spaansch vertaald. De „Amadis" werd reeds in de 13de eeuw in Spanje veel gelezen, de vorm, waarin wij dit werk kennen, ontstond echter veel later. Tot dezen tijd behoort ook Juan Ruiz, die in een lang autobiografisch gedicht vele fabels, kleine veitellingen, liederen enz. inlaschte, en de „Rimado de palacio" van Pero Lopez de Ayala. In deze eerste periode zijn het vooral de geestelijkheid,de vorsten, en de speellieden, die in de literatuur voorgaan. In de ló06 eeuw daarentegen is de dichtkunst bijna geheel in handen van den adel, die zich vooral op gelegenheidsgedichten toelegt. In plaats van daden van nationale helden worden kleine gebeurtenissen uit het galante leven van de hoogste klasse tot onderwerp gekozen. Sedert Alfonsus X had de hoofsche dichtkunst weliswaar reeds haar intocht gedaan in Castilië, doch aanvankelijk in het Proven gaalsch en Portugeesch, sedert 1379 uitte zij zich ook in het Spaansch. Een evenwel onvolledig beeld van de dichtkunst uit dezen tijd geven de cancionero's (zie aldaar). De allegorie werd door Francisco hnperial ingevoerd. Op den voorgrond tredende persoonlijkheden uit dezen tijd zijn de markies de Santillana en Juan de Menu. Naast deze hoofsche dichtkunst staan een aantal spreuken, eenige didactisch-populaire dichtwerken, het begin van de staatkundige satire en de romance. Ook het begin van het drama valt in dezen tijd. Belangrijker dan de dichterlijke voortbrengselen uit deze periode is haar geschiedschrijving. Lopez de Ayala schreef zijn „Cronica de Don Pedro I," Perez de Guzman zijn „Generaciones y semblanqas," Juan 11 een rijkskroniek, verschillende anderen geschiedenissen van afzonderlijke personen en gebeurtenissen. Verder verschenen er vele vertalingen. Een aantal ridderverhalen leverden de stof voor verschillende volksboeken, terwijl de novelle, die zich bij Boccaceio aansluit, en de reisbeschrijving eveneens beoefend werden.

De bloeitijd van de Castiliaansche letterkunde valt in de 16de en 17ae eeuw, toen ook op staatkundig gebied Spanje een eerste rol speelde. Het karakter van den staat, militair, Katholiek en nationaal, uit zich ook in zijn kunst. De lyrische poëzie is het minst oorspronkelijk, zij sluit zich vooral bij Italië en de klassieken aan. Tot de voornaamste dichters behooren: Boskan, Garcilaso de la Vega, Mendoza, Celina, Herrera, Rioja, Luis Ponce de Leem, Francisco de la Torre Medrano, de beide Argensola's en Villegas. De uitvinding van de boekdrukkunst had in de eerste plaats de verbreiding van den omgewerkten „Amadis" tengevolge, die het aanzijn gaf aan een groot aantal vervolgen en nabootsingen. Daarop volgden herderromans, zooals de „Diana" van Montemayor, „Galatea" van Cervantes, „Arcadia" van Lopez en „Siglo de oro" van Baliuena, schelmenromans, waarvoor de „Lazarillo de Tormes" van Mendoza het voorbeeld gaf, en historische romans, zooals die van Perez de Hila. Alle richtingen van dezen tijd

vindt men vertegenwoordigd in Miguel de Cervantes, in wiens satirisch-komischen „Don Quixot" de ridderromans hun afsluiting vonden. Ook bloeide de novelle.

Vooral in het drama kwam de Spaansche kunst tot hooge ontwikkeling. Het drama is ontstaan uit geestelijke spelen en samenspraken. Als voorloopers kunnen wij Gomez Manrique, Encina, Lucas Fernandez, Fernando de Rojas, Torres Naharro en Gil Vicente beschouwen. Nadat Madrid, Valencia en Sevilla in het laatst van de 16de eeuw een vasten schouwburg gekregen hadden, bloeide het tooneel op. Op Lope de Ruede, Juan de la Cueva, Juan de Timoneda, Rey de Artieda, Bermudez, Vimes, Argensola en Cervantes volgden de grootste Spaansche tooneelschrijvers n. 1. Lope de Vega Carpio en Calderon de la Barca. Zij zijn de eigenlijke scheppers van het tooneelspel, dat zij uit echt nationale elementen opbouwden. Als navolgers van den eersten kunnen wij Luis Velez de Guevara, Mira de Mescua, Antonia Hurtado de Mendoza, Juan Perez de Montalvan, Tirso de Molina en Juan Ruiz de Alarcon beschouwen, het voetspoor van Calderon volgden Francisco de Rojas, Augustin Moreio, Fragoso, Diamante, Antonio Coello, Alvaro Cubillo, Juan de la Hoz, Antonio de Solis en Augustin de Salazar y Torres. Zelfs toen de Spaansche letterkunde in verval kwam, handhaafde het tooneel nog gedurende langen tijd zijn roem door de werken van Bances Candamo, Canizares en Antonio de Zamora, wiens „Don Juan," een navolging van het oudere stuk van Tirso de Molina, door Mozarts opera beroemd geworden is.

Het proza levert in deze periode kroniekachtige werken, zooals die van Guevara, Mejia, Morales en Zurita, levendige beschrijvingen van veldslagen en oorlogen, satirische geschriften, traktaten en staatkundige geschriften, dikwijls in den vorm van dialogen of brieven. Ook moeten Gracian's aphorismen hier genoemd worden en vooral de stichtelijke werken van den dichter Fray Luis de Leon en den kanselredenaar Fray Luis de Granada, van zuster Santa Teresa de Jesus, wier leven door Fray Diego de Yepes beschreven werd, van San Juan de la Crux en van Pedro Malón de Chaide. Nog vermelden wij Las Casas, die in zijn werki n het lijden van de onderdrukte Indianenbevolking in Spaansch-Amerika schilderde.

De volgende periode, sedert de achttiende eeuw, is aanvankelijk gekenmerkt door het overheerschen van den Franschen invloed, die alle nationale kunst verdrong. De oprichting van de Spaansche academie in 1714, naar het voorbeeld van de Fransche, was een uitvloeisel van deze beweging en bevorderde den Franschen invloed. In zijn „Poëtica" (1737) ontwikkelde Lucianus zijn op Franschen grondslag berustende aesthetische beginselen. Ook andere landen, zooals Italië en Engeland, hadden invloed op de Spaansche letterkunde. Weldra ontstonden de scholen van Salamanca, waartoe o.a. Melendez, Iglenas, Carvajal, Gallego, Norona, Cienjugos en Quintana behoorden en van Sevilla, van welks leden wij Arjona, Reinoso, Blanco en Lista noemen. Buiten deze richtingen staan Arriaza, de beide Iriartes en Samanvgo. Minder nog dan de lyrische en de epische poëzie kon zich het tooneel aan de uitheemsche begrippen aanpassen. Blijvende waarde hebben alleen twee tooneelspelen van Mo-

Sluiten