Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der Almoraviden, Joessoef, met verachting op de ontaarde geloofsgenooten neerzag, die hij aan hun lot overliet, zoodra hij bij Zalaca (1086) de Christenen belet had, verder voort te rukken. Eerst na 1108 begonnen de Almoraviden zich in Spanje te vestigen, en omstreeks 1160 volgde een tweede stroom Berbers, de Almohaden, hun voorbeeld. Met het binnendringen van deze elementen ontstond echter ook in de Moorsche rijken dweepzieke onverdraagzaamheid, en deze dreef de Mozarabes naar de Christelijke staten, waartegen de ongeloovigen in hun verbrokkeling zich steeds zwakker verzetten. De levenskiacht van het Moorsche Spanje was reeds in de 12"® eeuw gebroken; slechts de oneenigheid en lakschheid der Christenen hield nog drie eeuwen de Mohammedaansche staten in het leven en maakte het nabloeien van Moorsche cultuur in het konii krijk Granada mogelijk.

Ook in de kleine Christenrijken aan den voet der Pyreneeën stond het streven naar zelfstandigheid scherp op den voorgrond. Naast het Gotische koninkrijk, dat Pelayo door de overwinning bij Covadonga (718) in Asturië vestigde, hield zich een overwegend Baskisch vorstendom in Navarra staande

Ook Karei de- Groole drong in 778 tot den Ebro door en stichtte in 811 de zoogenaamde Spaansche Mark. Later gelukte het aan de Christelijke koningen, het eene land na het andere aan de Arabieren te ontrukken, zoodat reeds in het begin der llde eeuw de christelijke rijken Leon, Aragon, Navarra en het markgraafschap Barcelona of Catalonië bijna de helft van het schiereiland omvatten. In voortdurende gevechten met de Arabieren ont■mitlrplrlen Hp'/.e riiken zich steeds meer, waarbij de

adel den moed en ridderzin levendig hield, terwijl de burgerstand vele rechten en vrijheden verwierf. De Castiliaansche Cid werd sedert de llae eeuw de held der ridderpoëzie. De gevechten tusschen Spanjaarden en Mooren kregen een godsdienstig-romantische tint, evenals de Kruistochten, zoodat dan ook in dien tijd drie geestelijke ridderorden in Spanje werden gesticht. Sedert de overwinning, welke de Christelijke vorsten onder leiding van den Ca tiliaanschen koning Alfonsus VIII in 1212 bij Navas de Tolosa in den Siërra Morena op de Almohaden behaalden, bleven slechts de rijken Cordova en Granada in het bezit der Arabieren, waarvan het eerste in 1236, het tweede in 1246 de de opperheerschappij van Castilië erkende.

Onder de Christelijke rijken van Spanje kwamen vooral twee tot groot aanzien: Aragon en Castilië, welke langzamerhand alle overige Christelijke en Arabische rijken vereenigden. Alleen Portugal kreeg en behield zijn nationale zelfstandigheid. Aragon breidde het gebied in de 12de en 13ae eeuw uit. Toen het koninklijk Huis er uitstierf, riepen de Cortes in 1412 den infant Ferdinand van Castilië als naaste erfgenaam op den troon. Hij werd in 1416 opgevolgd door zijn zoon Alfonsus V (zie aldaar). Zijn nakomeling Ferdinand de Katholieke huwde in 1469 met Isabella van Castilië en bewerkte hierdoor de vereeniging van beide koninkrijken. Castilië w as inmiddel; onder Ferdinand 111 iti 1230 definitief met Leon vereenigd; ook bieidde hij door g' lukkiee oorlogen tegen de Artbieren zijn gebied uit. Zijn zoon, Alfonsus X, de Wijze, (1252—1284) bevorderde weliswaar kunsten en wetenschappen

en werd door een deel der Duitsche keurvorsten tot koning gekozen, bracht echter door een verkeerde regeering zijn rijk tot verval. Na zijn dood ontstonden geschillen over den troon en burgeroorlogen, welke het rijk verzwakten en de koninklijke macht verminderden. Eerst Alfonsus XI (1324— 1360) herstelde de rust in het binnenland en brak door zijn overwinning bij de rivier Salado in 1340 de macht der Arabieren in het Z. van Spanje. Onder zijn opvolgers ontstond groote verwarring, terwijl adel en geestelijkheid alle macht aan zich trokken, zoodat, toen Isabella 2 in 1474 den troon beklom, de koninklijke waardigheid zonder maeht en aanzien was.

De vereeniging van Aragon en Castilië door het huwelijk van Ferdinand den Katholieke en Isabella had eerst slechts in naam plaats, daar beide onafhankelijk van elkander regeerden. Maar de bemoeiingen van beiden waren op hetzelfde doel gericht, daar zij, onder leiding van kardinaal Ximenes in de eerste plaats de macht der Kroon zoo onafhankelijk mogelijk van den adel en de hooge geestelijkheid trachtten te maken. De voornaamste middelen daartoe vormden versterking en organiseering van de heilige Hermandad, verbetering van het rechtswezen, het verkrijgen van de giootmeesterlijke waardigheid der drie ridderorden en van het recht de bisschoppen te benoemen, in de eerste plaats echter de inquisitie, welke tevens als staatkundige instelling diende, om niet alleen de ongeloovigen, maar ook den wederspannigen adel in toom te houden. Sedert dien tijd sloten in Spanje koningschap en Katholieke kerk een nauw ver¬

bond tot onderdruKKing van eiK suiauiuiiuig ui kerkelijk streven naar vrijheid. Behalve door deze hervormingen in het binnenland, is de regeering van Ferdinand en Isabella belangrijk door de veroverii g van Napels en Navarra, alsook van Granada (1492), het laatste Mohammedaansche rijk op het schiereiland en eindelijk door de ontdekking in hetzelfde jaar van Amerika, welke met Spaansche ondersteuning en door Spaansche schepen geschiedde.

Alle kinderen van Ferdinand en Isabella overleden reeds vroeg, behalvehundochter Johanna, die na den dood van haar moeder (1504) met haar echtgenoot, koning Philips I (den Schoone), den zoon van keizer Maximüiaan I van Duitschland, in Castilië aan de regeering kwam. Toen Philips in 1506 overleed en Johanna krankzinnig werd, droegen de standen van Castilië de voogdij over zijn door hem tot universeel erfgenaam benoemden kleinzoon Karei 1, den lateren Duitschen keizer Karei V, aan Ferdinand op. Na den dood van dezen (1516) wist Ximenes het daarheen te leiden, dat de 1&jarige Karei, niettegenstaande zijn moeder nog leefde, als koning van Castilië en Aragon werd erkend. Toen Karei slechts de raadgevingen van zijn Nederlandsche gunstelingen volgde en kardinaal Ximenes ontsloeg, verwekte dit algemeene ontevredenheid, zoodat een opstand uitbrak, waarvan Juan de Padilla de leider was. De overwinning bij Villalar (1621) en de terechtstelling van Padilla maakten een einde aan de beweging. Adel en geestelijkheid sloten zich nauw bij de kroon aan, de steden verloren vele staatkundige vrijheden en de vergaderingen van de Cortes waagden het niet meer tegenstand te bieden. Het aanzien

Sluiten