Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koninklijke macht in Egypte voor. Het meest beroemd is de bij de pyramide van Gizeh gelegen sfinx, welke uit de rotsen is gehouwen, een hoogte van 20 en een lengte van 67 m. bezit; zij stamt misschien nog uit den voorhistorischen tijd en is het oudste gedenkteeken op het doodenveld van Memphis; in de laatste jaren heeft men haar voor een afbeelding van koning Amenemliet III uit

Sphinx (Museum te Berlijn).

de 12de dynastie gehouden; de Egyptenaren uit den lateren tijd houden haar voor een afbeelding van den zich in den horizon bevindenden zonnegod Horos Harmachis. Herhaaldelijk is de sfinx van Gizeh uit het woestijnzand uitgegraven, het laatst in 1886 door Maspero. Bij vele tempels leidden lanen van sfinxen naar het ingangsgebouw.

Ook in de Assyrische kunst wordt de sfinx gevonden als bewaker van den ingang tot den tempel (paleis Nimroed en portaal van Chorsabad).

Menigvuldiger in gedaante en beteekenis komen de sfinxen in Griekenland voor, waar zij steeds als vrouwengestalten worden opgevat. Oorspronkelijk een gevleugeld leeuwenlichaam met hoofd en borst van een maagd, werden zij later door kunstenaars en dichters in de meest avontuurlijke gedaanten voorgesteld, bijv. als maagd met borst, pooten en klauwen van een leeuw, een slangenstaart en vogelvleugels, of van voren leeuw, van achteren mensch met gierenklauwen en adelaarsvleugels, daarbij niet altijd liggend, maar ook wel in andere houdingen. Beroemd is de sfinx van Thebe in de Boeötische mythe, een dochter van Thyphon en de slang Echidna, welke aan ieder, die haar naderde, het raadsel opgaf: „Welk schepsel gaat des ochtends op vier beenen, des middags op twee, des avonds op drie?" Wie het niet kon oplossen, moest zich van de rots in den afgrond storten. Oedipos gaf de oplossing, n.1. de mensch, waarop des finx zich van de rots omlaag wierp. Door de Grieksche kunst uit de Egyptische en Óostersche reeds vroeg overgenomen en eigenaardig hervormd (steeds vrouwelijk), gold de sfinx hier als zinnebeeld van den onverbiddelijken dood en werd daarom dikwijls op graven voorgesteld. Ook in Oud-Christelijke kerken komen somtijds sfinxen voor. Weer toegepast werden zij door de laat-renaissance, in het bijzonder echter dikwijls door den barokstijl, welke er ingangen naar paleizen, tuinen enz. mee versierde.

Sphragistiek. Zie Zegel.

Sphyg-raograaf. Zie Pols.

Spiccato is een technische uitdrukking in het vioolspel voor het non legato of half staccato. Terwijl staccato kort, afgestooten beteekent, duidt spiccato het niet-gebonden spel aan. Het teeken

er voor is een staccatopunt onder een legatoboogje.

Spie noemt men een stalen stuk, dat dient om een vaste verbinding tusschen een wiel en een as tot stand te brengen. Men doet dit door in de as en evenzoo in de naaf van het wiel een langwerpige gleuf te maken. Men legt deze gleuven aan elkander en plaatst dan de spie er in, die dus voor een gedeelte in de as en voor een gedeelte in het wiel zit. Men onderscheidt vlakke spieën en kopspieën. De laatste loopen naar het eene einde een weinig dunner uit en zijn voorzien van een kop.

Spiegel is een voorwerp met een gladde oppervlakte, dat dient om spiegelbeelden te doen ontstaan. Men heeft vlakke, holle en bolle spiegels, maar in het dagelijksch leven worden bijna uitsluitend de vlakke gebezigd. Daartoe dienden in de Oudheid, voor een deel reeds in den voorhistorischen tijd, gepolijste ronde metalen schijven met een steel; men had toen koperen, bronzen, zilverenen gouden spiegels. Ook glazen spiegels kwamen reeds vroeg in gebruik; men bezigde daartoe obsidiaanachtige, donkere, ondoorzichtige massa's met een gladde, gepolijste oppervlakte, welke in den muur werden vastgemaakt. Kleine spiegels, uit glasbollen gesneden en met lood bedekt, zooals zij veel uit Romeinsche graven van de 2de en 3de eeuw bij Regensburg, uit graven in Gallië, Thracië, Bulgarije en de ruïnen van de Egyptische stad Antinoë bekend zijn, werden in de 12de en 13de eeuw als sieraad gedragen. In de 14de eeuw kwamen de spiegels met tinamalgama in gebruik. Om deze te vervaardigen, breidt men op een horizontale,vlakke J steenen plaat een blad tinfoelie uit, iets grooter dan de spiegel, begiet het ter hoogte van 2—3 mm. met kwik, dat met tin een amalgama vormt, schuift de gepolijste gasplaat zoo over de tinfoelie, dat haar rand steeds in het kwik blijft, belast haar dan met gewichten, geeft aan de steenen plaat een geringe helling, zoodat het overtollig kwik wegvloeit, en legt na verloop van een etmaal den spiegel met het amalgama naar boven op een stelling, welke men allengs meer doet hellen, zoodat de spiegel ten laatste een verticalen stand heeft verkregen. Na 8—20 dagen is deze bewerking afgeloopen. Een oppervlakte van 1 v.m. vereischt 5—6 gr. amalgama, uit ongeveer 78% tin en 22 % kwikzilver bestaande. Wegens de hoogst vergif tige eigenschappen van kwikzilver, moet men bij de vervaardiging op strenge hygiënische eischen letten. Tegenwoordig vervaardigt men ook vele spiegels van glas, die aan de achterzijde verzilverd worden. Dit geschiedt door een oplossing van zilvernitraat op het glas met een alkalische reduceerende stof in aanraking te brengen; het zilver slaat dan neêr op het glas en wordt daarna met een vernis bedekt of galvanisch verkoperd. Eén v.m. glas vereischt 29—30 gr. zilver. Op dergelijke wijze maakt men ook platinaspiegels, en vooral deze kunnen zich op den duur goed houden. Vlakke spiegels voor sterrenkundige en natuurkundige instrumenten worden uit spiegelmetaal vervaardigd of bestaan uit glas met zwarte achter- of verzilverde voorzijde.

Spiegel (Spieghel), Hendrik Laurenszoon, een Nederlandsch dichter, geboren te Amsterdam den llden Maart 1549 was koopman in zijn geboortestad en verlangde geen andere betrekking; zelfs

Sluiten