Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

thans meestal een enkele kaardbewerking voldoende, vroeger gebeurde het 2 of 3 maal. Voor fijner garen heeft men nog de dubbele bewerking behouden, men onderscheidt dan het grof- of vóórkaarden en het fijnkaarden. De door het grofkaarden verkregen banden worden dan in de draaikannen naar een werktnig geleid, waarmede men een dertigtal banden evenwijdig naast elkander opwikkelt, terwijl twee der zoo gevormde wikkels naast elkander voor de verdere bewerking op de fijnkaarde worden gebracht. De kaardmaehines zijn van inrichtingen voorzien, die de deksels en trommels van het daarin opgehoopte katoen reinigen. Tegenwoordig gebruikt men voor grof- zoowel als voor fijnkaarden dikwijls een machine met voortdurend bewegend dekselsysteem, de zoogenaamde revolving-flatkaarde. Meestal wordt het katoen nog vóór het pp de rektoestellen gebracht wordt, gekamd, waarbij een scheiding van langstapelig en kortstapelig katoen plaats heeft. Over deze bewerking zal bij het spinnen van wol gesproken worden.

Door het rekken worden de banden of linten (slivers) gelijkmatiger en de vezels, die door het kaarden en kammen nog niet geheel de vereischte ligging gekregen hebben, nog meer in de juiste evenwijdige richting gebracht. Men gebruikt hiervoor 2—3, soms ook 4—6 paar rek- of groefrollen, waartusschen de linten in horizontale richting doorloopen. De onderste rollen zijn in de lengte gegroefd, de bovenste zijn eerst met flanel, dan met dun en glad schapenleer bekleed. Op de bovenrollen worden vrij zware gewichten gehangen, zoodat zij sterk tegen de onderwalsen drukken. Alle tot een stel (hoofd) behoorende rollen draaien in dezelfde richting, elk volgend paar echter vlugger dan het voorgaande. De afstand van 2 paar rollen is iets langer dan een vezellengte, daar anders de vezels zouden scheuren. De voorgaande rollen houden het katoen dus eenigszins vast, zoodat het reeds doorgetrokken gedeelte, wegens het verschil in snelheid, door de volgende rollen verlengd wordt. De enkele vezels blijven echter onveranderd, de verlenging geschiedt door onderlinge verplaatsing. Om te verhinderen, dat de uitgerekte banden te dun en te onsterk zouden worden, vereenigt men eenige van deze tot een enkel lint. Deze bewerking heet verdubbelen of doubleeren. Bij grove en middelfijne garensoorten wordt het rekken en doubleeren tenminste driemaal herhaald, bij fijne soorten 6—8 maal. De rekmachine in figuur 4 laat zien, hoe de linten uit de trommels of kannen (rechts beneden) door de korte geleid-buizen t, die kantelen en de machine stil doen staan als een lint breekt, over de groefrollen i, h, g en f geleid worden en daarna door den trechter al en de walsen b1 worden gedoubleerd, waarna het lint in de kan c1 wordt gevoerd, waar het zich in spiraalvormige windingen neerlegt. Tegenwoordig gebeurt het stopzetten van de machine, wanneer er een lint breekt ook, op andere wijzen.

Wanneer het katoen deze verschillende bewerkingen ondergaan heeft, neemt het eigenlijke spinnen een aanvang. Het bestaat in een voortgezet uitrekken van de verkregen linten tot draden van de verlangde fijnheid en het ineendraaien en opwinden ervan. Men onderscheidt het grof- of vóórspinnen, dat min of meer grof en nage¬

noeg niet gedraaid garen oplevert, en het f ij nspinnen. Het rekken geschiedt bij het fijnzoowel als bij het grofspinnen in hoofdzaak op de reeds beschreven wijze. De machines voor het grofspinnen kunnen in twee hoofdgroepen onderscheiden worden, n.1. zulke, waarbij het voorspinsel alleen gedurende de rekbewerkiiig gedraaid wordt, en zulke, die een draad met blijvende, hoewel zwakke draaiing leveren. De eerstgenoemde soort is in onbruik geraakt, van de tweede soort zijn de bank-Abegg en de grofflyer of grofspillenbank de meest gebruikelijke. In beginsel stemmen deze machines met elkander overeen.

De eerste wordt meer tot het voorspinnen gebruikt, de laatste voor het spinnen van grof garen. De spillen bank, die reeds in 1824 een hoogen trap van volkomenheid had bereikt, is een nabootsing van het spinnewiel. Zij ontleent den naam spillenbank of flyer aan de spillen met vleugels, die ronddraaien en daardoor het verkregen spinsel ineendraaien. Met elke omdraaiing van de spil, draait de daaraan bevestigde draad eenmaal om zijn lengteas. Aan deze machine zijn tqestellen voor het opwinden van het garen verbonden.

De bewerking bij het fijnspinnen bestaat in het verder uitrekken van het grove spinsel tot den verlangden graad van fijnheid en het daarop volgend ineendraaien en opwinden. Het rekken geschiedt met de gewone rektoestellen, het ineendraaien en opwinden óf door spillen en klossen, zooals bij de dross elbanke n, óf door eenvoudige spillen, zooals bij de mu le ban ken. De drosselbanken dienen voor hard gedraaid garen (kettinggaren, watertwist), de mulebanken voor los gedraaid garen (inslaggaren, muletwist). Een drosselmachine, ook wel waterspinmachine genoemd, omdat zij oorspronkelijk door water in beweging gebracht werd, is afgebeeld in figuur 5. Gewoonlijk bestaat zulk een toestel uit twee symmetrische deelen, die een gemeenschappelijk drijfwerk a hebben, in elke afdeeling bevinden zich 150—300 spillen. De beweging wordt op het rad b en vandaar gelijktijdig op de voorste rekrol c en op de spilleas d overgebracht, terwijl meteen de voor beide helften gemeenschappelijke as h wordt omgedraaid. De klossen met het voorspinsel staan boven op het rek, het grove garen loopt tusschen de rekrollen door en wordt daarna door de op de bank k bevestigde oogjes geleid naar de vleugels, die het garen op de klosjes v winden. De vleugels staan op de spillen e, die hun beweging van de as d ontvangen. De klosjes zijn los op de bank i geplaatst en ontvangen met deze door het samenstel van de werktuigen m, n, o en p een op- en neergaande beweging; daardoor wordt het garen in gelijkmatige windingen schroefdraadsgewijze om de klossen gelegd. Deze hebben geen eigen draaiende beweging, doch worden door het sterk gedraaide en dus vaste garen medegesleept, dat de wrijving van de klossen op de bank i overwint. Hierdoor wordt de klossenbeweging naar behoefte geregeld. Uit de drosselmachine is de meer en meer in gebruik komende ringspinmachine ontstaan. Terwijl bij de drosselmachine de vleugels door hun snellere beweging de klossen meeslepen, gebeurt bij de ringspinmachine (zie de tekstafb.) het omgekeerde; daar

Sluiten