Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevindt moet derailleeren. Dit bezwaar is opgeheven bij de wissels met afzonderlijke spitse tongen, die zich zijwaarts bij de vast liggende rails aansluiten. In figuur 6 loopen de buitenste rails ig en km onafgebroken door, de wisselrail c n kan zich bij ig aansluiten, zoodat in dat geval de locomotief van I naar II overgebracht wordt, de wisselrail d n kan zich bij km aansluiten, waardoor de baan I doorloopt en baan II afgesloten wordt. De wisseltongen zijn onderling door stangen verbonden en worden bij beweging op de plaats door hefboomen of excentrieken omgelegd en door

Fig. 6.

Wissel.

tegengewicht in den vereischten stand gehouden. Men onderscheidt verschillende soorten wissels: heele en halve wissels, rechtsche en linksche wissels, symmetrische wissels enz. De treinen moeten met verminderde snelheid over de wissels rijden, wijl de kruising der spoorstaven niet beneden zekere hoekgrootte kan geschieden en de gebruikelijke spoorverhooging niet kan worden gegeven.

Waar kruisingen van de lijnen voorkomen, worden opzettelijk geconstrueerde kruisstukken aangebracht.

Een rolwagen is een door raderen of rollen verplaatsbaar onderstel, waarop zich rails bevin¬

den. Dit toestel wordt van het eene paar rails naar een ander paar, evenwijdig aan het eerste, in een richting loodrecht daarop voortbewogen, door menschen, stoom of electriciteit. Met dit toestel brengt men bijv. locomotieven en wagens van de eene lijn op de andere over. Voor ditzelfde doel worden ook de draaischijven (zie aldaar) gebruikt.

Waar een gewone weg de spoorbaan kruist, moet een overweg aangebracht worden. In Engeland legt men, met het oog op de veiligheid, gewoonlijk wegen aan, die onder den spoorweg doorloopen of er over heen leiden. Een overweg, die over de spoorbaan heen voert, wordt bij hoofdspoorwegen altijd, bij locaal-spoorwegen meestal, door afsluitboomen afgesloten. Op drukke wegen is er bij eiken overweg een wachter, andere worden met een volgend wachthuisje verbonden en dan uit de verte door trekwipsluitboomen bewogen.

Het middelpunt van de werkzaamheden, welke op het spoorwegverkeer betrekking hebben, vormt het station. Daar heeft het verkeer tusschen den spoorweg en het publiek plaats, daar worden de werkzaamheden, die tot het eigenlijke bedrijf behooren, uitgeoefend. Op grootere plaatsen zijn er afzonderlijke stations voor personen en voor goederen ; op de belangrijkste plaatsen van overgang heeft men dikwijls nog zoogenaamde rangeerstations, waar de treinen samengesteld en ontbonden worden (zie Rangeeren). Voor het goederenver¬

voer heeft men langs de spoorlijnen, meest op afzonderlijke zijlijnen, goederenloodsen, los- en laadwegen en verhoogde los- en laadinrichtingen gemaakt. Ten dienste van het personenverkeer liggen langs de hoofdsporen een of meer perrons, deze zijn door overwegen of tunnels met elkander verbonden. Meestal zijn de perrons overdekt. Verder bevinden zich op het stationsemplacement allerlei dienstgebouwen, zooals bergplaatsen voor brandstoffen, waterreservoirs, loodsen voor locomotieven, gebouwen voor bestelgoederen, kranen enz. Het stationsgebouw zelf is voorzien van vestibules, bureaux voor de afgifte van plaatskaarten, ruimten voor de behande¬

ling van de bagage, wachtkamers, restauraties enz. Aan sommige stations zijn werkplaatsen voor het maken en het herstellen van het spoorwegmateriaal verbonden. Naar de ligging ten opzichte van den spoorweg onderscheidt men de stations in b egin-, tusschenstations en eindstations. Een bijzonder soort van tusschenstations vormen de zoogenaamde kopstations, waarbij de treinen de sta¬

tions in de tegenovergestelde richting weder verlaten. Een station, dat bij de verbinding van 2 of meer spoorlijnen gebouwd is, heet overgangs- of aansluitend station. Meestal liggen dan het gebouw en het perron aan denzelfden kant van de lijnen, soms ook ligt het gebouw in den door de samenloopende lijnen gevormden driehoek, of wordt het station aan alle zijden door een spoorlijn omringd, zoodat een zoogenaamd eilandenstation ontstaat. Men maakt verder verschil tusschen hoofdstations, gewone stations, haltes en stopplaatsen.

Het grootste gevaar bij het spoorwegverkeer levert de botsing van twee treinen op. Om dit gevaar te voorkomen zijn alle stations telegrafisch verbonden, terwijl er een geheel stelsel van bepaalde teekens, seinen genaamd, bestaat, waardoor aan de betrokken beambten mededeelingen kunnen worden gedaan. Men onderscheidt hoor¬

bare of acoustische en zichtbare of optische seinen. De eerste hebben het voordeel, dat zij van dag en nacht, nevel enz. onafhankelijk zijn en onmiddellijk de aandacht trekken, waarom zij bijzonder geschikt zijn tot het aankondigen van buitengewone voorvallen. Daarentegen werken zij alleen tot op zekeren afstand en slechts gedurende eenigen tijd, terwijl zij door den wind of andere geluiden gewijzigd of zelfs overstemd kunnen worden. De zichtbare teekens zijn van luchtstroomen onafhankelijk en werken op grooten afstand en voortdurend. Tot de hoorbare teekens behooren bijv. het fluiten van den hoofdconducteur als teeken tot vertrek, het fluiten van de locomotief, waarmee algemeene waarschuwende en andere seinen gegeven worden, het bellen, dat den wachters kennis geeft, dat de trein van een voorgaand station vertrokken is enz. Zichtbare teekens zijn bijv. het uitsteken van den arm van den baanwachter, dat aangeeft, dat de trein doorrijden kan, het zwaaien met een rood doek of bij nacht het vertoonen van een rood licht, dat aangeeft, dat de trein moet stoppen. De wisselteekens deelen den machinist den stand van de wissels mede.

Sluiten