Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de sprookjes rekenen. Het vaderland van de eigenlijke sprookjes is het Oosten. Over hun ontstaan bij de Westersche volken hebben zeer verschillende meeningen geheerscht. Volgens sommigen bevatten zij de laatste resten van de helden- en godensagen van het volk, waar zij voorkomen en zijn zij afkomstig uit een tijd, toen de menschen niet meer aan deze helden en goden geloofden, doch van hun verhalen nog geen afstand konden doen en ze daarom in den vorm van sprookjes aan hun kinderen mededeelden. Gedurende langen tijd vond de meening van Grimm veel bijval, n.1. dat de sprookjes den laats ten trap van de Indo-Germaansche natuurmythen vertegenwoordigden, welke mythen door de volkeren uit hun oorspronkelijk vaderland meegebracht waren. Tegenwoordig neemt men meestal aan, dat verschillende elementen tot hun ontstaan medegewerkt hebben; een deel van de stof leefde bij elk volk als oude overlevering, een ander deel werd door mondelinge of schriftelijke overlevering overgenomen van andere volken, vooral van Oostersche; nog andere elementen werden door oudere en nieuwere dichters hieraan toegevoegd. Uit deze verschillende bestanddeelen ontstond het volkssprookje. Een tegenstelling hiermee vormen de kunstsprookjes, die als kunstprodukt individueel ontstaan. Tot de laatste behooren „Tredeci piacevolissime notti" (1551) van Straparola en „II pentamerone" (1637) van Basile. Den indruk van volkssprookjes daarentegen maken de „Contes de ma mère 1'Oye" (1697) van Charles Perrault. Deze verzameling en de Fransche vertaling van de Arabische „Duizend en één nacht" (1704—1708) van Oalland, waren het voorbeeld voor een groot aantal kunstsprookjes, vooral in Duitschland, waar bijv. Musaeus een bekende verzameling in het licht gaf. Van veel belang was de uitgave van de „Kinder- und Hausmarchen" (1812) van de gebroeders Grimm, die rechtstreeks uit den volksmond waren opgeteekend. In de 19de eeuw werd dit voorbeeld in andere landen gevolgd. Vooral ook Engeland, Schotland en Ierland zijn rijk aan sprookjes, evenals sommige Slavische volkeren. Nederland is aan deze dichtsoort zeer arm.

Sprot, Sarden of Scharden (Clupea sprattus). Zie Haringvisschen.

Spruit is in het dagelijksch leven een jong takje, maar in de plantkunde een tak van een onderaardschen stengel (wortelstok). Een wortelspruit (sololes) is een onderaardsche, min of meer horizontale tak van den wortelstok, waaruit zich hier en daar nieuwe, bovenaardsche stengeldeelen ontwikkelen.

Spruner, von Mertz, Karl, een Duitsch geschiedkundige en kartograaf, geboren den 15den November 1803 te Stuttgart, trad in krijgsdienst en werd in 1825 luitenant, in 1883 generaal der infanterie, trok zich in 1886 in het ambtelooze leven terug en overleed den 24sten Augustus 1892 te München. Hij schreef: „Bayerns Gaue"(1831) en gaf een „Gaukarte des Herzogtums Ostfranken"(1735) uit. Zijn hoofdwerk is de groote „Historisch-geographische Handatlas"(1837—1852), die zich door een keurige bewerking en uitvoering onderscheidt. Ook gaf hij een uitmuntenden,,Atlas zurGeschichte vonBayern" (1838), een „Historisch-geographischer Schulatlas" (l0de druk, 1880), historische-geografische schoolatlassen van Oostenrijk en Duitschland enz. uit. Geschiedkundige geschriften van Spruner zijn: „Leitfaden zur Geschichte von Bayern"(2Ile druk, 1853),

„Phalzgraf Rupert der Kavalier"(1854) en „Die Wandbilder des bayrischen Nationalmuseums"(2de druk, 1878). Ten slotte schreef hij nog onderscheiden historische tooneelspelen en anoniem de anti-pauselijke geschriften: „Jamben eines greisen Ghibellinen"(1876) en „Aus der Mappe des greisen Ghibellinen"(1882).

Spruw is een aandoening van de mondholte en ontstaat door de woekering van een schimmel, de Oidium albicans. Zie verder Mondziekten.

Spruit, Cornelius Bellaar, een Nederlandsch natuurphilosoof, geboren te Kockengen den 5den Juni 1842, ontving zijn opleiding bij ds. N. van Wijk en F. Lagerwey te Weesp, studeerde te Utrecht en promoveerde aldaar in de wis- en natuurkunde den 14den November 1867 op een dissertatie, getiteld: „Over de electromotorische kracht van het element van Daniël bij verschillende temperaturen". Eerst was hij werkzaain als leeraar in de scheikunde en natuurlijke historie aan het gymnasium te 's Gravenhage (1860—1866), toen aan de hoogere burgerschool te Utrecht (1866—1877) en werd in 1877 benoemd tot hoogleeraar in de faculteit der letteren en wijsbegeerte aan de universiteit te Amsterdam, welke betrekking hij den 24"ten November van dat jaar aanvaardde met een redevoering: „Over de verhouding der wijsbegeerte tot de bijzondere vakken". Van zijn geschriften noemen wij: „Leiddraad bij het onderwijs in de kennis der levenlooze natuur"(3 dln.,1871—1872, tweede druk in 1 dl. 1888), „De laatste gedaantewisseling van de wijsbegeerte der ervaring"(1871), „Van Vloten's Benedictus de Spinoza"(1876), „Proeve eener geschiedenis van de leer der aangeboren begrippen"(1879), „De persoonlijke dienstplicht uit een staatkundig en maatschappelijk oogpunt"(1882), „Over „vrije" universiteiten"(1884), „De liberale partij en de schoolquaestie"(1886), „De aanspraken der „Vrije" Universiteit naar aanleiding van Dr. Schaepman's rede beoordeeld" (1884), „Antipapistische felheid en protestantsche plichtsbetrachting"(lste—3de druk, 1888,4de dr. 1889) en als antwoord op de geschriften, die tegen den inhoud van deze brochure, welke veel beroering in den lande veroorzaakte, opkwamen: „Rome en Dordt in 't geweer (1889) en „Wankelmoedigheid of vaderlandsliefde" (1889). Verder verscheen nog van zijn hand: „Afrikaners en Nederlanders. Bijdragen tot verspreiding van kennis aangaande Zuid-Afrika" (1896), „Engeland en Transvaal"(lste, 2de dr., 1897), „Het empiriocriticisme, de jongste vorm van de „wijsbegeerte der ervaring"" (1899). Hij was lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen te Amsterdam, stichtte de Nederlandsch-Zuid-Afrikaansche Vereeniging en betoonde zich ook een warm voorstander van de beweging voor Volksweerbaarheid. Hij overleed den 28sten April 1901 te Hilversum. Na zijn dood verschenen nog: „Geschiedenis der wijsbegeerte. Naar de dictaten van wijlen prof. C. B. Spruyt bewerkt door Ph. Iiohnstamm, J. D. van der Waals Jr. en H.G. Leignes Bakhoven"(1905) en „Leer der formeele logica, bewerkt naar de dictaten van wijlen prof. C. B. Spruyt, bewerkt door M. Honigh" (1903).

Spuit is de naam van een cylinder met een of meer openingen aan het eene, dikwijls tot een punt vernauwde uiteinde, waardoor men met behulp van een zuiger een vloeistof of een weeke massa in een straal kan uitwerpen. De zuiger wordt door

Sluiten