Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wiens naam zij aflegde, om dien van haar moeder, Delaunay, aan te nemen. Zij trad als kamenier in dienst van de tirannieke hertogin van Maine, en werd ten slotte de toonaangeefster in de salons te Parijs. Gedurende het regentschap deelde zij_ twee jaar lang de gevangenschap der hertogin in de Bastille, doch trad in 1735 in het huwelijk met den gardeofficier baron de Staal. Zij overleed te Parijs den 16den Juni 1750. Haar „Mémoires" (4 dln., nieuwe druk, 1878 en 1891) onderscheiden zich door scherpe waarneming en fijne satire en zijn in een stijl geschreven, waarboven de critiek slechts dien van Voltaire stelde. Haar „Oeuvres complètes" zijn in 1821 in 2 deelen verschenen.

Staalboomen. Zie Vischtuigen.

Staaldraad noemt men een sterken draad, die uit hennep vervaardigd wordt, waaromheen zich 6 in elkander gedraaide strengen bevinden. Elke streng bestaat uit 6—19 staaldraadjes met een middellijn van 1,5—3 mm. Staaldraad komt gegalvaniseerd en niet gegalvaniseerd in den handel.

Staalgravure. Zie Graveerkunst.

Staar. Vóór de uitvinding van den oogspiegel noemde men elke blindheid, waarbij het oog uitwendig geen ziekte toonde, de zwarte staar.De oogspiegel leerde de diepere oorzaken van die blindheid kennen, zoodat die vage aanduiding verviel en door duidelijker benamingen vervangen werd, al naar de gezichtszenuw of het netvlies aangedaan bleek. Thans wordt nog wel bi] glaucoom gesproken van de groene staar, om den groenen weerschijn, die soms uit de oogen straalt, lijdende aan verharding (zie Glaucoom), maar gewoonlijk verstaat men onder het woord staar de vertroebeling van de lens (grijze staar of cataract) of van de lenskapsel. Die troebeling der lens komt niet zoo zelden op rijperen leeftijd voor en gewoonlijk kan men geen oorzaak er voor in de constructie vinden; zij tast alleen bij jongere menschen, wier lens nog geen kern bezit, op den duur alle lensvezels aar., bij anderen blijft de sclerotische kern ongedeerd en wordt omhuld door de troebele vezels. Ook aangeboren komt de staar voor en verder kennen wij de secundaire staar, die door voedingsstoornissen der lens tengevolge van oogziekten ontstaat of door een verwonding, die de lenskapsel opent, waarna de vezels door het binnendringen van het vocht der voorste oogkamer gaan zwellen en troebel worden. Al naar de plaats en de dichtheid der troebelingen, geeft de staar vroeger of later stoornissen in het zien, gewoonlijk wordt over een sluier geklaagd, die de voorwerpen nevelig maakt, maar in het begin zijn het meer donkere plekken in het gezichtsveld, die den lijder hinderen. Als de patiënt nog geen zestig jaar is, dan wacht de oogarts liefst met de staar-operatie, tot de staar „rijp" is geworden, d. i. tot de troebeling door alle vezellagen is getrokken, want dan komt de lens er gemakkelijker in haar geheel uit. Is zij onrijp, dan blijven de doorschijnende lagen zitten en vormen later door troebeling de nastaar. Voor de operatie (extractie van de lens) wordt een zeer fijn mesje door den rand der cornea en door de voorste oogkamer naar den tegenoverliggenden rand gevoerd, daar uitgestoken en dan snijdt de oogarts ongeveer de helft der cornea los van den harden oogrok. Gewoonlijk wordt daarna een stuk van de iris uitgeknipt, dan een opening in de lenskapsel gemaakt en de lens door druk op het oog door de kapselopening in de voorste oogkamer en

door de cornea-wonde buiten den oogbal gebracht.

Staart noemt men bij de werveldieren dat gedeelte van het lichaam, waarin zich het uiteinde van de wervelkolom bevindt. Het bezit spieren, bloedvaten en zenuwen, maar de ingewanden en de lichaamsholte zetten zich niet voort in dit achterste lichaamsdeel, hoewel de ontwikkelingsgeschiedenis aantoont, dat de staart eigenlijk een afdeeling van het lichaam van dezelfde gesteldheid als de onmiddellijk daarvoor gelegen afdeeling was. Bij de embryo's der haaien bevat hij bijv. een stuk darm, dat echter spoedig verdwijnt. Bij vele soorten is de staart lang en bestaat dan uit vele, dikwijls door spieren zeer gemakkelijk bewegelijke wervels (bijv. de grijpstaart van vele apen), bij andere is hij kort en stompvormig, soms breed en vlak (bever, walvisch) enz. In afgeleide beteekenis noemt men staart eenvoudig het uiteinde van het achterlijf van vele wervellooze dieren, zelfs als het niet smaller is dan de rest van het lichaam.

Staartmenschen noemt men die menschen, bij wie de verlenging van de ruggegraat niet, zooals gewoonlijk, rudimentair is, maar evenals een dierstaart vrij buiten het lichaam steekt. Geheele volksstammen' met staarten zijn er niet. Wel heeft men op Java, Borneo, Ceram enz. enkele individuen met staarten gevonden. Het meest komen zij voor bij stammen, die tot voortdurende huwelijken in bloedverwantschap zijn gedwongen, zoodat deze misvorming uit inteelt moet worden verklaard.

Staat noemt men de vereeniging der menschen van een land onder een hoogste gezag. Tot de kenmerken van den staat behooren dus: land, bewoners en een gezag, souvereiniteit, over beide. Daarbij moet echter worden opgemerkt, dat de wetenschappelijke meeningen omtrent het begrip staat zeer uiteenloopen.

De geschiedenis leert, dat van eigenlijke staten dan eerst sprake kan zijn, wanneer een aanzienlijk aantal menschen tot één geheel vereenigd is. Het huisgezin kan derhalve als de natuurlijke grondslag en het uitgangspunt van den staat beschouwd worden ; doch de staat heeft tegenover het huisgezin dit eigenaardige, dat zijn onderhoorigen niet door den band der bloedverwantschap, maar door een afzonderlijke organisatie verbonden zijn, waarin men een vereeniging aantreft van een regeering (gouvernement, staatsbestuur) en van geregeerden (onderhoorigen, staatsburgers, onderdanen). Daarenboven moeten deze duurzaam in een bepaald gebied gevestigd zijn. Een nomadenvolk vormt nog geen staat. Die rechten, welke den heerscher als zoodanig toekomen, vormen het staatsgezag (souvereiniteit, Suprema potestas). De drager van het staatsgezag en de wijze van uitvoering door den eerste, dus de staats- en regeeringsvorm, worden door de staatsregeling van het land vastgesteld. Men verdeelt het staatsgezag gewoonlijk in een wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht, waardoor echter slechts de verschillende richtingen aangeduid worden, waarin het staatsgezag werkzaam is. Het staatsgezag zelf evenwel is en blijft één en ondeelbaar. Omtrent het ontstaan en het recht van bestaan van den staat, loopen de meeningen zeer uiteen. Wij vinden reeds bij oude volkeren de theokratische of godsdienstige theorie, volgens welke de staat als een goddelijke instelling en het staatsgezag als door God verordend en toegekend wordt beschouwd, een theorie, welke

Sluiten