Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan om die te verhoogen. Onder volkswelvaart, moet niet uitsluitend stoffelijke welvaartbegrepen worden, ook ideëele zaken maken een deel daarvan uit. Als men vroeger van de staathuishoudkunde sprak als de leer van den maatschappelijken rijkdom, dacht men uitsluitend aan die stoffelijke welvaart; vandaar dat het beter is in eene definitie der staathuishoudkunde het woord rijkdom niet te noemen. Daarenboven wekt dit woord gedachten, die op de wetenschap allicht een verkeerd licht zouden werpen. Volkswelvaart is ongetwijfeld een zeer relatief begrip ; het woord krijgt eerst beteekenis door vergelijking. Noemen wij een volk welvarend in vergelijking met de omwonende volken, dan zou eene vergelijking met andere volken deze qualificatie onjuist doen schijnen. Welvarend kunnen wij een volk noemen, dat in staat is zijne behoeften behoorlijk te bevredigen. Doch aan den anderen kant wekt behoeftebevrediging wederom binnen zekere grenzen op tot het scheppen van nieuwe behoeften, die op bevrediging wachten. Zoolang bij menschen begeerten bestaan, die ingewilligd willen worden, oefenen zij een ingrijpenden invloed uit op de maatschappij, op de onderlinge betrekkingen der in die maatschappij levende menschen. Het is de taak der staathuishoudkunde begeerten en haar invloed te leeren kennen. De leer der volkswelvaart behoort tot de sociale wetenschappen, die zich met de maatschappij bezig houden. Naast haar behooren tot dezelfde categorie o. a. het recht, de politiek, de ethica, de sociologie. De staathuishoudkunde is een vrij jonge wetenschap. Zij dateert eerst uit de helft der achttiende eeuw. Reeds vóór dien tijd hadden enkelen zich bezig gehouden met onderwerpen, die op het staathuishoudkundig terrein liggen; van een wetenschap is echter dan nog geen sprake. De eerste sporen van een inzicht, dat alle economische verschijnselen door één band zijn verbonden, vinden wij bij de schrijvers eener school, bekend onder den naam van Mercantilisten. (Zie stelsel van de Handelsbalans, deel VIII, bij 706). In het midden der 18dc eeuw verschijnt een nieuwe school, die het eerst op den naam van wetenschappelijke school aanspraak kan maken, namelijk de Physiokraten (zie aldaar). Met hen wordt de wetenschap geboren. Zich zeiven noemen zij economisten. Maar eerst met de verschijning van het boek van Adam Smith: „Inquiry into the nature and the causes of the wealth of nations" (1776) kan de staathuishoudkunde onder haar klassieken vorm geacht worden voor goed gegrondvest te zijn. (Zie Adam Smith). Zijn boek omvat voor het eerst het geheele veld van de economische wetenschap, dat sedert niet zeer belangrijk is uitgebreid en verleent nagenoeg een eeuw lang aan de Engelsche school den onbetwisten voorrang. Terwijl voor de Physiokraten de aarde de eenige bron van den rijkdom is, verzekert 8mit]i aan de nijverheid en den handel de hun toekomende plaats. Het is in een artikel als dit onmogelijk de historie op den voet te volgen, alle of ook maar de voornaamste schrijvers te noemen, die de wetenschap der staathuishoudkunde in haar gestadige ontwikkeling met nieuwe vondsten, nieuwe theorieën hebben verrijkt. Hij, die daarin belang stelt, zij verwezen naar John Kells Ingram's: „History of political economy" (1888), waarvan ook een Duitsche vertaling het licht zag en naar Tvuigi Cosstïs: „Introduzione allo studio dell' Economia politica" (3dc Ed. 1892), welke door haar Fransche vertaling

onder den titel „Histoire des doctrines économiques" (1899) voor meerderen toegankelijk is gemaakt. Wij geven er de voorkeur aan een kort overzicht te geven van de staathuishoudkundige scholen uit het oogpunt der methode en uit het oogpunt der politieke richting, om ten slotte een enkel woord te zeggen over de staathuishoudkunde in Nederland en de Nedeiiandsche economisten.

A. De scholen naar de methode. Aan de klassieke school der Engelsche en Fransche economisten wordt toegeschreven,datzij zich alleen of hoofdzakelijk bediende van de deductieve methode om tot de ontdekking der waarheid te geraken. Haar toepassende, gaat men uit van een algemeene grondstelling, die als onbetwistbaar kan worden aangenomen en ontwikkelt daaruit door logische redeneering allerhande gevolgtrekkingen, zooals bij de wiskunde geschiedt. De klassieke school nu ging uit van eene stelling, die zij onweerlegbaar achtte, namelijk ,,dat de mensch onder alle omstandigheden met de kleinste inspanning de grootste bevrediging zijner begeerten tracht te bereiken." Door middel van logische redeneering konden uit deze stelling door subsumptie van dien egoistischen mensch onder alle omstandigheden des maatschappelijken levens economische gevolgtrekkingen worden afgeleid. Of deze gevolgtrekkingen juist waren, hing natuurlijk in de eerste plaats van de logica van den economist, maar niet minder van de juistheid der grondstelling af. Tegenover deze methode staat lijnrecht de inductieve methode. Bij de inductie geldt de vraag welke, de oorzaken zijn geweest van bekende gevolgen. Het maatschappelijke leven is een product van ontelbare oorzaken, die steeds tegelijk werken, de eene de gevolgen der anderen versterkend of verzwakkend. Ieder gevolg wordt op zijn beurt weer oorzaak. Men moet de bijzondere feiten in de maatschappij waarnemen en hunne oorzaken trachten op te sporen om door onderlinge vergelijking dier causaliteiten te komen tot algemeene stellingen. Het is vooral de Duitsche historische school geweest, die meende dat deze methode voor de staathuishoudkunde aangewezen was. Terecht had zij opgemerkt, dat de klassieke school niet van een onbetwistbare grondstelling uitging. Het bleek haar onjuist, dat onder alle omstandigheden de mensch in staat is om een volmaakt egoïstisch doel op de minst bezwaarlijke wijze na te streven. Daarvoor mist hij niet zelden de juiste kennis, den behoorlijken tijd en den noodigen lust. Maar om uit deze juiste kritiek te concludeeren tot de verwerpelijkheid van de groote en eerbiedwaardige wetenschappelijke veroveringen der klassieke school ging te ver.Wanneer wij nagaan hetgeen de historische school tot stand bracht, dan kunnen wij daarover tevreden zijn, maar de wetenschap vernieuwde zij niet. Immers, zij schonk de noodige aandacht aan de waarneming der feiten en de verandering van volken en tijden en opende aldus een terrein van historische kennis, waarvan wij nooit te veel kunnen verzamelen. Maar juist door die dikwijls zeer fijne detailstudie werden de algemeene voorwaarden, die overal de economische verschijnselen bepalen, uit het oog verloren. Als men er van moest afzien blijvende verhoudingen en algemeene wetten te ontdekken, zou men het moeten opgeven in de staathuishoudkunde een bijzondere wetenschap te zien. In den laatsten tijd zien wij bij sommige woordvoerders der historische school op dit punt

Sluiten