Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een kentering. Gustav Schmoïïer toch, de man die onbetwist als hoofd der richting geldt, schrijft in zijn leerboek, dat wat de wetenschap bereikt heeft, evenzeer is te danken aan de deductieve als aan de inductieve methode. Ook deze school schijnt ten slotte met de tegen haar uitgeoefende kritiek haar voordeel te hebben gedaan. De moderne school stond reeds langer op ditzelfde standpunt. De nieuwere staathuishoudkundigen waren het er vrijwel over eens, dat de ware methode der economie moet zijn: na waarneming op een beperkt terrein een hypothese te formuleeren, om ten slotte de gegrondheid der hypothese door waarneming in de volle maatschappij te toetsen. Noch de inductieve, noch de deductieve methode zijn te verwerpen, mits van beide tegelijkertijd gebruik wordt gemaakt. Tegen de negentiger jaren der vorige eeuw beleefde de deductieve methode een hernieuwden bloei in de Oostenrijksche school. Deze schiep eene nieuwe waardeleer, die het fundament is van de staathuishoudkunde (zie onder Waardeleer) en welke berust op zeer fijne psychologische studie van den mensch. Deze waardeleer werd door jongeren dezer school ook in Nederland toegepast op allerhande economische vraagstukken. De Oostenrijksche school blies wederom nieuw leven in de wetenschap. De voornaamste vertegenwoordigers der klassieke school waren Smith, Ricardo, Malthus, Stuart Mill, Macculloch, Jean Baptiste Say, Basliat. Aanhangers der historische school waren Hildebmnd, Roscher, Schmoller, Brentano. De voornaamste vertegenwoordigers der Oostenrijksche school zijn Karl Menger, von Wieser, von BohmBawerk, Sax.

B. de scholen naar haar richting. Hierbij betreden wij het terrein der praktische staathuishoudkunde, die optreedt, wanneer de theoretische staathuishoudkunde haar conclusies heeft getrokken, en ook moet optreden, omdat de staathuishoudkunde zich in tegenstelling met de natuurwetenschappen bezig houdt met de levende maatschappij, wier welzijn van haar leden afhankelijk is. De oudste richting volgt de klassieke liberale school. Ze gaat uit van de gedachte, dat de maatschappij door natuurlijke wetten wordt geregeerd, die de uitdrukking zijn van de betrekkingen, die buiten iemands toedoen tusschen de menschen bestaan, indien deze vrij zijn te handelen naar hun eigen economisch inzicht en belang. De wetgever heeft bij de uitwisseling der particuliere belangen slechts toe te zien en alles te verwijderen, wat de menschen daarin zou kunnen hinderen. De overheid heeft slechts voor de grootste veiligheid der individuen en beveiliging van den eigendom te zorgen. De staat vervult de rol van gendarme; hij passé onbeperkt het laisser faire toe. De theorie van het laisser jaire wordt tegenwoordig algemeen geacht een overwonnen standpunt te zijn. Men weet dat de concurrentiestrijd niet altijd de besten ter overwinning voert (zie onder concurrentie). Men weet, dat de staat den plicht heeft om, waar de vrijheid der individuen zou leiden tot nadeel van de maatschappij, in te grijpen met beperkende wetten. Strijd kan in vele gevallen heilzaam zijn; in tal van andere is de ondergang van velen een te zwaar offer aan de maatschappij gebracht.

De socialistische school staat vlak tegenover de zoo even genoemde. Een uiteenzetting van haar theorieën vindt men in het artikel „collectivisme Zij ziet de fouten der liberale school duidelijk in en

verwacht een nieuwe orde van zaken, waarbij de staat een overwegende rol te vervullen heeft. De anarchisten behooren niet gerekend te worden tot de socialisten, doch beschouwd te worden als de meest consequente liberalen, als ultra-individualisten (zie onder anarchisme en individualisme).

Het staatssocialisme of kathedersocialisme staat door haren oorsprong in nauw verband met de historische school. Vooral in Duitschland is de invloed van Vorst en Regeering op de welvaart der natie steeds groot geweest. Tegen een wetgeving tot bescherming der zwakken, die de liberale school in hunnen belangenstrijd met de sterken zou laten te gronde gaan, bestaat dus van historisch standpunt geen bezwaar. De geschiedenis toont ons den Staat als een werkdadigen factor van maatschappelijken vooruitgang. Waar dan ook kan worden bewezen, dat eene groote klasse menschen het zonder wetsdwang, d. i. staatshulp, niet kan brengen tot een menschwaardig bestaan, daar is staatsinmenging niet alleen gewenscht, maar ook geboden. Onztë moderne arbeids- én arbeiderswetgeving, onze sociale verzekering steunen op dit beginsel. Hij, die het liberale beginsel en dat van het staatssocialisme goed begrijpt, zal tot het besluit moeten komen, dat in het eerste het kerngezonde principe besloten ligt, dat selfhelp het eerste middel is tot verhooging van de volkswelvaart. Alleen dan, als dit middel onmogelijk is, als zij, die het moeten hanteeren, daartoe te zwak zijn, behoort de in den staa't belichaamde maatschappij op te treden. Noch door uitsluitend laisser faire, noch door staatsalmacht komt een gezonde maatschappij tot stand. Immers kan- de staatsalmacht, de staatsvoogdij, gemakkelijk leiden tot verzwakking van de individueele energie, die niet steeds kwade gevolgen behoeft te hebben. En wat de mensch vrijwillig doet, doet hij meestal beter dan onder den drang van de staatsmacht. In den tegenwoordigen tijd is het aantal der principieele staatsonthouders gedurig ingekrompen. Star, doctrinair liberalisme vindt men niet veel meer. Wanneer thans gestreden wordt tusschen voorstanders en tegenstanders van dwangwetgeving op een bepaald economisch punt, gaat het alleen om de lijn, die getrokken moet worden. Om een concreet voorbeeld te noemen, wanneer thans over ziekte-verzekering der arbeiders gesproken wordt, vragen voor- en tegenstanders zich alleen af, of door aanmoediging of door dwangwetgeving het gestelde doel is te bereiken. Ook de meest verstokte voorstander van staatsinmenging weet, dat aan alle wetgeving de moeilijkheid van de uitvoering verbonden is. Wat geven wetten, als men de juiste uitvoering daarvan niet waarborgen kan? In onze nationale staathuishoudkunde heeft het theoretische kathedersocialisme zich nooit eeneenigszins uitgestrekt veld kunnen veroveren. Dit had zijn goede, maar ook zijne kwade zijde. Nooit is in Nederland door staathuishoudkundige schrijvers op een dusdanig felle wijze te keer gegaan tegen de deductieve methode als in Duitschland. In den tijd, dat in dit laatste land de studie der theoretische economie geheel werd verwaarloosd, bleef men deze aan onze hoogescholen naar waarde schatten. De historische school vatte geen voet in Nederland, met dit gevolg, dat ook de werkelijk nuttige historischeconomische onderzoekingen tot in den laatsten tijd achterwege bleven. Maar juist het vasthouden aan het vele goede, dat de oude klassieke school had ge-

Sluiten