Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tapijten en vervaardiging van rozenolie. Verder houdt de bevolking zich bezig met kopergieterij en ververij en zijn er druk bezochte minerale baden. Het telt (1905) 20 647 inwoners. Nadat het in 1878 bijna geheel door de Turken was verwoest, is het naar een vast plan, met breede, elkaar rechthoekig snijdende straten weder opgebouwd. In de Oudheid heette het Berrhoea, gedurende korten tijd ook Augusta Trajana. In den Russisch-Turkschen oorlog van 1877 werd Gurlco in de gevechten van 30 Juli—1 Augustus door Reuf en Soeleiman Pasja van hier naar den Sjipkapas teruggedrongen.

Stargard, een stad in het Pruisische distrikt Stettin, aan de Ihna en aan de spoorwegen Stettin— Belgard, Posen—Stettin enz. gelegen, heeft een R. Katholieke en 4 Protestantsche kerken, een synagoge, een gymnasium, een hoogere burgerschool, een landbouwwinterscbool, een centrale gevangenis, een weeshuis, onderscheiden fabrieken en handel, vooral in graan, vee en produkten. Het telt (1905) met het garnizoen 26 907 inwoners. Zij was vroeger de hoofdstad van Achter-Pommeren.

Starhemberg- (Slarchemberg) is de naam van een aanzienlijk vorstelijk en grafelijk geslacht, stammende uit Opper-Oostenrijk, waar Gundaccar in 1176 het slot Storchenberg bouwde, en thans nog bloeiende in de vorstelijke hoofdlijn en in een grafelijke zijlijn. Tot dit geslacht behooren:

Starhemberg, Ernst Rüdiger, graaf von, geboren den 12den Januari 1638 te Graz, diende onder Montemculi en onderscheidde zich vooral als commandant van Weenen door zijn dappere verdediging van

deze stad tegen de Turken (9 Juli—12 September 1683). Keizer Leopold schonk hem daarop den maarschalksstaf, de waardigheid van staatsminister rppVit. flfin Stenhanustoren in ziin wapen te

plaatsen. Starhemberg volgde toen koning Johann Sobieski als bevelhebber der infanterie naar Hongarije, maar werd in 1686 bij Ofen zoo zwaar gewond, dat hij het commando moest nederleggen. Daarna hield hij zich vooral bezig met de organisatie van het Oostenrijksche leger, en overleed den 4del1 Januari 1701 op zijn bezitting Wesendorf. Zijn gedenkteeken staat in de Stephanuskerk, een standbeeld voor het stadhuis.

Starhemberg, Guido, graaf von, geboren den llde November 1657 te Graz, streed met moed gedurende het beleg van Weenen als adjudant van den vorige (zijn neef), trok eveneens naar Hongarije en onderscheidde zich bij de belegering van Ofen (1686), bij Mohacs (1687) en bij de bestorming van Belgrado (1688), evenals in de veldslagen bij Slankamen (1691) en Zenta (1697). Na het uitbarsten van den Spaanschen Successie-oorlog trok hij met prins Eugenius naar Italië, werd in 1703 gedurende korten tijd in diens plaats belast met het opperbevel en verhinderde de vereeniging der Franschen en Beieren in Tirol. In 1708 aanvaardde hij als veldmaarschalk het commando over het Oostenrijksche leger in Spanje en streed er met uitstekend gevolg. In 1710 deed hij na de overwinningen bij Almenara en Saragossa zijn intocht in Madrid, maar werd na den moorddadigen slag van Villaviciosa (10 December 1710) genoodzaakt, naar Barcelona terug te trekken. Toen de Spaansche kroonpretendent aartshertog Karei na den dood van Jozef in de Oostenrijksche erflanden was teruggekeerd, bleef Starhemberg als onderkoning te Barcelona achter, maar kon er niettegenstaande

zijn grooten moed, welke hem den bijnaam el gran capitan verschafte, wegens gebrek aan bijstand, zijn gezag niet handhaven, zoodat hij ten gevolge van het neutraliteitstractaat van 14 Mei 1713 met het overschot van zijn troepen op Engelsche schepen naar Genua vertrok. Na dien tijd woonde hij eerst te Laibach en sedert 1717 te Weenen. In 1720 werd hij landcomtuur, later grootcomtuur van de balije Oostenrijk. Hij overleed den 7den Maart 1737 te Weenen.

Staring-, Antony Christiaan Winand, een Nederlandsch dichter, geboren te Gendringen den 24sten Januari 1767, werd, daar zijn ouders te Kaapstad woonden, waar zijn vader equipagemeester was, opgevoed door zijn oom J. G. Staring, predikant te Gouda, studeerde aan de hoogeschool te Harderwijk, waar hij in 1787 in de rechten promoveerde, vertrok vervolgens naar Göttingen, waar hij zich gedurende 2 jaar op de landbouwkunde toelegde. In 1791 vestigde hij zich op het landgoed Wildenborch bij Lochem, waar hij zijn verder leven doorbracht. Na 1795 nam hij als patriot deel aan hot staatkundig leven. Hij was in de Tweede Nationale Vergadering representant van Zutfen, werd lid van het departementaal bestuur van Gelderland, maire van Laren, commissaris-speciaal voor het kanton Borculo en lid van de Provinciale Staten van Gelderland. Hij overleed den 18den Augustus 1840. Staring schreef niet veel, maar wat hij schreef was met zorg samengesteld. Zijn gedichten zijn kernachtig, zinrijk, doch tegelijk zoetvloeiend en zangerig. Vooral Potgieter stel¬

de hem hoog en neext üoor zijn KriueKeu veei geuaaii om Staring's poëzie meer bekend te maken. Starings puntdichten herinneren soms aan Huygens, van zijn verhalende gedichten zijn de Jaromircyclus („Jaromir te Praag", „Jaromir te Lochem", „Jaromir te Zutfen" en „Jaromir gewroken"), „De verjongingskuur" en „Marco" zeer bekend; tot zijn beste lyrische gedichten behooren: „Herdenking", „Meizang", „Oogstlied" en „Adeline Verbeid". Zijn „Gedichten" verschenen in 1820 in 2 dln., een nieuwe vermeerderde uitgave in 1836 in 4 dln. Daarnaast schreef hij; enkele kleinere werken. De derde uitgave van zijn gedichten verscheen in 1862 in 4 dln., met een inleiding van Nicolaas Beets, in 1884 gaf Stellwagm een bloemlezing in het „Pantheon" van Eoelants, in 1871 verscheen er een volksuitgave.

Staring, Winand Carel Hugo, een Nederlandse!» landbouwkundige en geoloog, een zoon van den vorige, geboren op den Wildenborch den 5den October 1808, studeerde te Leiden aanvankelijk in de rechten, later in de wis- en natuurkunde, zag in 1829 zijn antwoord op een zoölogische prijsvraag doorde Gentsche universiteit bekroond, nam met de Leidsche vrijwilligers deel aan den Tiendaagschen Veldtocht en promoveerde in 1833 op een dissertatie „Specimen de Geologia Patriae". Na zijn promotie kreeg hij het beheer over een landgoed van zijn vader, en wijdde zich praktisch aan den landbouw, werd in 1836 griffier bij het vredegerecht te Vorden, in 1849 bij het kantongerecht te Lochem. Hij nam het initiatief tot de oprichting van de Geldersche Maatschappij van Landbouw, waarvan hij secretaris werd en was van 1849—1852 met Wttewaal redacteur van de „Landbouwcourant". Van 1852 tot 1863 hield hij zich te Haarlem bezig met de vervaardiging der „Geologische kaart van Nederland" en met de stichting van een museum van Nederlandsche geologie (thans te

Sluiten