Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Steen. Zie PisbezMcsel.

Steen, Jan Havicksz, een Hollandsch schilder van genre- en historiestukken en enkele portretten, werd geboren te Leiden ongeveer 1626 en overleed aldaar in 1679. In 1646 werd hij als student in de Letteren ingeschreven aan de universiteit te Leiden. Hij was een leerling van Nicolaes Knupfer en van zijn schoonvader Jan van Goyen. Jan Steen was een van de eerste leden van het St. Lucasgilde te Leiden, dat in 1648 werd opgericht, doch reeds in 1649 woonde hij in Den Haag, waar hij tot 1654 bleef. Van 1654-1661was hij'wederom te Leiden, van 1661-1669 vertoefde hij te Haarlem, waar de kunst van Adriaen van Ostade wellicht van invloed op de verdere ontwikkeling van zijn talent is geweest. Van 1669 tot aan zijn dood woonde hij weer te Leiden. In 1657 wordt hij vermeld als eigenaar van een herberg „de Roskam" te Delft, maar niets bewijst, dat hij ooit aldaar gewoond heeft. In 1672 kreeg hij vergunning om een herberg te houden in zijn huis op de Langebrug te Leiden. Tijdens zijn leven wasiSteen's werk weinig in trek, doch het nageslacht eert hem als een humorist zonder weerga en een der beste karakter- en zedenscliilders van alle tijden. Door geen schilder is het leven onzer voorouders in de 17de eeuw zoo veelzijdig weergegeven. In zijn beste werken is hij daarbij een schitterend kolorist en een uitmuntend teekenaar. Zijn beide zonen Comelis en Thaddeus hebben geschilderd, doch zonder ooit eenige bekendheid te verwerven. Er zijn geen werken van hen tot ons gekomen.

Werken van zijn hand, waaronder eenige van zijn allerbeste, bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum te Amsterdam, in het Mauritshuis en het stedelijk museum te 's Gravenhage, in het museum Boymans te Rotterdam, in het stedelijk museum te Leiden en in het stedelijk museum te Haarlem.

Steen, Johannes Wilhelm Christian, een Noorsch staatsman, geboren den 22s,en Juli 1827 te Christiania, was van 1850—1891 achtereenvolgens leeraar en rector van de gymnasia te Bergen, Tromsö en Stavanger en werd in het Storthing gekozen, waarvan hij van 1859—1897 bijna onafgebroken deel uitmaakte. Van 1881—1888 en vanaf 1895 was hij voorzitter van dat lichaam, waarin hij spoedig een invloedrijke positie in de Democratische Partij verwierf. Langen tijd aanhanger van Joh. Sverdrups, plaatste hij zich echter, toen deze hem in 1884 niet in zijn nieuw gevormd ministerie opnam en een meer gematigde staatkunde begon te volgen, aan het hoofd der radicale oppositie en had, ofschoon geen lid van het Storthing, aan den val van Sverdrup in 1889 een levendig aandeel. In Maart 1891 belast met de vorming van een ministerie, voerde hij samen met de ultra-radicale meerderheid van het Storthing een staatkunde, die gericht was op opheffing van den band tusschen Zweden en Noorwegen en die in de eerste plaats zich tegen het gemeenschappelijk consulaatwezen richtte. Toen hij in Mei 1893 aftrad, werd hij benoemd tot mede-directeur van de Noorsche Bank, terwijl het Storthing hem een jaarlijksch inkomen van 6000 kronen toekende. In het begin van 1898 nogmaals president van een radicaal ministerie, wist hij de invoering van het algemeene en direct kiesrecht en die van de „zuivere" Noorsche vlag tot stand te brengen, maar nam, na herhaalde pogingen om zijn ministerie te reconstrueeren, in

April 1902 zijn ontslag. Hij overleed den lBte\April 1906 te Bossevangen.

Steenarend. Zie Adelaar.

Steenbakkerij. Zie Aardewerk.

Steenberg-en, een plaatsje in de NoordBrabantsche gemeente Steenbergen-en-Kruisland, ligt aan een haven, die in de Steenbergsche of Rozendaalsche Vliet uitloopt, en aan den stoomtram naar Rozendaal. Men treft er een stadhuis, een Roomsch-Katholieke kerk en een Hervormde kerk aan. Steenbergen is een oude plaats, die in 1272 van Arnold van Leuven verschillende voorrechten ontving. In 1371 nam het deel aan het verbond van de 45 Brabantsche steden. In den Tachtigjarigen Oorlog werd het herhaaldelijk door de Staatschen en de Spanjaarden belegerd. In 1629 werden de muren door aarden wallen vervangen, thans is de plaats open.

Steenbergen en Kruisland, een gemeente in de provincie Noord-Brabant, 9313 H. A. groot met (1909) 8487 inwoners, wordt begrensd door het Slaak en het Volkerak en door de gemeenten Dinteloord, Oud-en-Nieuw-Gastel, Rozendaal c. a., Wouw, Halsteren en Nieuw-Vosmeer. De bodem bestaat uit klei, in het zuiden uit diluviaal zand. Landbouw is het voornaamste middel van bestaan, verder wordt er eenige nijverheid uitgeoefend. Tot de gemeente behooren het stadje Steenbergen, de dorpen Kruisland en De Heen en eenige buurten. Steenbergen behoorde vroeger tot het graafschap Strijen, was vervolgens gemeenschappelijk eigendom van de heeren van Breda en Bergen-op-Zoom en kwam als nalatenschap van Willem IIIaan Johan Willem Friso.

Steenbergsche Vliet. ZieEozendaalscheVliet.

Steenbok (Ihex Wagn.) is de naam van een groep dieren, behoorende tot het geslacht Geit (Capra L.), gekarakteriseerd door de van voren afgeplatte, van knobbelige ringen voorziene horens. Zij omvat onderscheiden dieren, welke de hoogste gebergten der Oude Wereld bewonen. Men heeft steenbokken op de Europeesche Alpen, op de Pyreneeën, in den Kaukasus, in Siberië, in Steenachtig Arabië, in Abessinië en op den Himalaja. De Alpensteenbok (Capra Ibex L.) is 1,5—1,6 m. lang en 80— 85 cm. hoog; de bok heeft zeer dikke, tot 1 m. lange rugwaarts gekromde horens, terwijl die van het wijfje veel kleiner zijn. Zijn lichaam is gedrongen en krachtig: hij heeft een middelmatig langen hals, een betrekkelijk kleinen kop, maar een sterk gewelfd voorhoofd, verder sterke pooten van middelmatige lengte. Zijn haar is ruw en dicht, aan het aohterhoofd, in den nek en aan de onderkaak wat langer; het is des zomers roodachtig grijs en des winters geelachtig grijs. Midden over den rug loopt overlangs een lichtbruine streep, terwijl de schedel, de neus, de rug en de keel donkerbruin zijn. De steenbok bewoont de hoogste gebieden der Alpen. Hij leeft in troepen en daalt dan alleen af in de boschstreek, wanneer de Alpenkruiden, zijn voedsel, onder de sneeuw bedolven zijn. Hij is vlug en behendig in zijn bewegingen, een uitstekend klimmer, weet tegen steile rotswanden op te klauteren en springt met groote juistheid, zonder ooit zijn doel te missen. Terwijl de steenbok in den tijd der mammoethen door geheel Zwitserland, een deel van Zuid-Frankrijk en (waarschijnlijk) tot België verspreid was, is zijn aantal in de laatste eeuwen sterk achteruit ge-

Sluiten