Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

letterkundige, geboren den 13den December 1813 te Liverpool, kwam op 20 jarigen leeftijd in Zweden, waarvan hij de bibliotheken ten behoeve van de Oud-Noordsche studiën ijverig doorzocht, werd in 1851 tot lector in de Engelsche taal aan de universiteit te Kopenhagen en in 1855 tot professor benoemd. In 1877 benoemde de philosofische faculteit te Upsalahem tot doctor lionoris causa. Hij overleed den 9den Augustus 1895 te Kopenhagen. Zijn meest bekende werk, dat waarde bezit door de uitstekende afbeeldingen, overigens echter over het algemeen oncritisch is en het werk van een dilettant schijnt, is: „The old northern Runic monuments of Scandinavia and England"(3 dln., 1866—1884, verkorte druk, 1884). Een 4<le deel werd eerst na zijn dood uitgegeven (1901). Van zijn overige geschriften moeten genoemd worden: „Bihang till Frithiofs saga"(1841), „Svenska folksagor och afventyr"(1844) en „Sveriges historiska och politiska visor"(1853); de beide laatste zijn met G. O. Hylten-Cavallius uitgegeven. In den strijd, welke door de hypothesen van Bugge over den oorsprong der Oud-Noordsche goden- en heldensagen ontstond, trad hij als beslist tegenstander van de nieuwe theorie op. Aan Stephens is men ook de eerst? uitgave van de Angelsaksische fragmenten van liet gedicht van WalOier en Hildegonde („Twoleaves ofkiug Waldere's lay", 1860), verschuldigd.

Stephenson, George, de voornaamste grondlegger der spoorwegen, geboren den 8sten Juni 1781 te Wylam bij Newcastle, was de zoon van een mijnwerker, klom door ijver en talent van gewoon machinist op tut directeur van de groote steenkolenmijnen van lord Ravensworth bij Darlington en vervaardigde in 1814 de eerste locomotief voor de steenkolenmijne te Killingworth. In 1824 stichtte hij met mr. Pease uit Darlington te Newcastle een machinefabriek, en het volgende jaar werd naar zijn aanwijzing de eerste spoorweg tot vervoer van personen aangelegd tusschen Stockton en Darlington. Hij behoorde tot de eersten, die gladde sporen en wielen durfden gebruiken, en de aanleg van den spoorweg van Liverpool naar Manchester in 1829 schonk hem een onvergankelijken roem. Zijn voor dezen spoorweg gebouwde locomotief, de „Rocket" trok vijf keer haar eigen gewicht en legde 14—20 Engelsche mijlen per uur af. Hij had dit resultaat vooral te danken aan de door hem uitgevonden luchttrekking en aan de vermeerderde stoomontwikkeling door het aanbrengen van buizen in den ketel, volgens het denkbeeld van Bootli, den secretaris-generaal der maatschappij. Van dien tijd af bestuurde hij den aanleg der voornaamste spoorwegen in Engeland, waarvoor hij tevens locomotieven vervaardigde, evenals voor Amerika en het vastland van Europa. Hij was ten slotte ook eigenaar van onderscheiden steenkolenmijnen enz. Tegelijk met Davy construeerde hij een veiligheidslamp voor mijnen. Hij overleed den 12dcn Augustus 1848 op Tapton House bij Chesterfield.Te Newcastle verrees zijn standbeeld op de Stephensonbrug.

!* Stephenson, Roberl, een Engelsch ingenieur, een zoon van den vorige, geboren den 16ael1 October 1803 te Wihnington, werkte in de mijnen te Killingworth, studeerde daarna te Edinburg en ondersteunde zijn vader bij diens ondernemingen. Hij reisde door Noord-Amerika, stichtte daar de mijnbouwmaatschappij Columbia, Jeidde in Engeland den

bouw van onderscheiden spoorwegen, verbeterde de locomotief, bouwde de onder den naam High Level Bridge bekende ijzeren hangbrug bij Newcastle over den Tyne en vond de tubulaire of kokerbruggen nit. Een reusachtige brug van deze soort, de bekende Britanniabrug, bouwde hij van 1846—1850 over het Menaikanaal. Het belangrijkste voorbeeld van een dergelijke brug is de door Stephenson ontworpen 3 km. lange Victoriabrug bij Montreal in Canada. Stephenson was langen tijd een autoriteit op het gebied van het spoorwezen. Hij schreef: „Report on the atmospheric railway-system" overleed den 12den October 1859. Ter erkemiing van zijn verdiensten werd hij in de Westminster-abdij begraven.

Steppe (Russisch: stepj = vlak, dor land) is in de aardrijkskunde de naam van uitgestrekte vlakten, welke slechts met gras en kruiden begroeid, of wegens gebrek aan bevloeiing niet geschikt zijn voor landbouw. De steppen stellen menigvuldige overgangsvormen tot de woestijnen voor en zijn óf zandsteppen, óf zoutsteppen, waarvan de kale bodem effloresceerend zout en een schralen plantengroei van zoutplanten draagt, öf met rolsteenen bedekte steensteppen, öf eigenlijke grassteppen, welke na de regens met een dicht en eenvormig plantentapijt worden bedekt; ook de met mossen en korstmossen bedekte moerassteppen (toendra's) moeten hiertoe worden gerekend. De steppen komen onder verschillende namen over de geheele wereld voor, in Europa vooral in Hongarije (poesta) en het Z. van Rusland: ook de heiden in het N.W. van Duitschland en de landes in het Z.W. van Frankrijk zijn steppen; in Noord-Amerika heeten zij savannen en prairiën, in Zuid-Amerika llano's en pampa's.

Steppenhond. Zie Hyaenahond.

Ster is een lichtgevend of het licht van een ander hemellichaam terugkaatsend lichaam, dat zich buiten den dampkring der aarde bevindt. Zij kan dus een vaste ster, een planeet, een der wachters daarvan of een komeet zijn. In den regel bedoelt men er vaste sterren mede. Zie de verschillende artikelen.

Steranijs.. Zie Illicium.

Stercu ia L. is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Sterculiaeceën. Het omvat meerendeels groote boomen met enkelvoudige en gelobde, afwisselende bladeren en viltige, tot aren vereenigde bloemen, vooral in warme gewesten groeiende. S. foetida L. is een groote boom in Hindostan en op de Molukken met groote, handvormige bladeren en donker karmijnroode, geel gevlekte, onaangenaam riekende bloemen. De zaden, ter grootte van hazelnoten, bevatten olie. S. aaiminata Beauv. levert de goeroenoten.

Sterculiaceeën is de naam van een tweezaadlobbige plantenfamilie. Zij omvat meestal boomen, wier groene deelen met stervormige haren zijn bekleed. De bladeren zijn afwisselend, enkelvoudig, gaaf of vinspletig of handvormig en meestal aan den voet van afvallende steunbladeren voorzien. De volkomen of eenslachtige, regelmatige of onregelmatige bloemen zijn op okselstandige bloemstelen geplaatst en tot aren of trossen bijeengevoegd en somtijds van een omwindsel voorzien. De vijfslippige kelk is lederachtig en bij de soorten, welke bloembladeren missen, doorgaans gekleurd. De 5 bloembladeren, met de kelkslippen afwisselend, zijn op den bloembodem ingeplant en genageld.De talrijke meel-

Sluiten