Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vervolgens te Berlijn en stichtte na zijn terugkeer in zijn geboortestad de „Wespen", een Humoristisch weekblad. In 1867 vertrok hij met dit weekblad naar Berlijn, waar het eerst als „Berliner Wespen", later als „Deutsche Wespen" verscheen. Van zijn werken zijn de humoristische verslagen en gedichten van den gefingeerden oorlogscorrespondent Wippchen het meest bekend geworden n. 1. „Wippchens samtliche Berichte"(16 dln., 1878—1903) en „Wippchens Gedichte"(1889, nieuwe reeks, 1894). Verder noemen wij van hem: „Almanacli zum Lachen"(6 dln., 1858 —1863), „Die letzte Fahrt"(1861), „Berliner Blaubuch aus dem Archiv der Komik"(2 dln., 1869), „Muckenichs Reden und Taten"(1885), „Unter vier Augen", „Humor und Komik"(1890), „Heitere Erinnerungen"(1895), „Heiteres Allerlei"(1898), „Das Lied von der versunkenen Gloclce und andere Parodien"(1898), ,,Barlesken"(1889), „Der moderne Knigge" (4 dln., 1902—1903) en „Tierisches-Allzumenschliches" (1905). Van 1885—1894 gaf hij het maandschrift „Das humoristische Deutschland" uit.

Stettin, de hoofdstad der Pruisische provincie Pommeren, bestaat uit de eigenlijke stad op den linker oever van de Oder, met uitgestrekte nieuwe stadsgedeelten en voorsteden, en uit de Lastadie en de hierbij behoorende buurten op den rechter oever van genoemde rivier. De beide oevers zijn door drie bruggen verbonden, terwijl er voor het spoorwegverkeer nog andere gebouwd zijn. Stettin bezit een groot aantal, gedeeltelijk fraai aangelegde openbare pleinen en wandeldreven. Van de eerste noemen wij: het Paradeplein, het Koningsplein met de stand¬

beelden van Frederik den Groote (van Schadow) en van Friedrich Wilhelm 111 (van Drake), het KeizerWilhelmsplein, dat door de Keizer-Willu lmsstraat doorsneden wordt en waar zich een standbeeld van keizer Wilhelm I (van Hilgers) bevindt, het Jakobikerkplein met een standbeeld van Lötce, het Raadhuisplein met een monumentale fontein, het Bismarckplein, het Arndtplein enz. De stad bezit 9 Protestantsche kerken, waarvan wij de Petrikerk van 1124 als de eerste Christelijke kerk in Pommeren, de Jakobikerk, de Lutherkerk, de St. Gertrudkerk en de Bugenhagenkerk noemen. Behalve deze vindt men er een Oud-Luthersche kerk, een RoomschKatholieke kerk, een Apostolische kerk, 4 Baptistenkapellen en een synagoge. Van de wereldlijke gebouwen noemen wij: het vroegere koninklijke paleis, het nieuwe regeeringsgebouw, het militaire casino, den schouwburg, de beurs, het concerthuis,den circus en het ziekenhuis. Van de vroegere vestingwerken zijn nog 2 monumentale poorten over. Het aantal inwoners bedraagt (1905) met het garnizoen 224119.

Stettin bezit veel nijverheid en handel. Men vindt er groote scheepstimmerwerven, machinefabrieken, ijzerfabrieken, een groote fabriek voor naaimachines en rijwielen, chemische fabrieken, tichelwerken, cementfabrieken, fabrieken voor kleederen, motorvoertuigen, suiker, chocolade, parfumerieën, zeep, kaarsen, karton, zijde, papier, anthraciet, cokes,

brandewijn, bier enz. Met betrekking tot den zeehandel is Stettin de eerste plaats van Pruisen. Van 1894—1898 werd voor de uitbreiding van de havenwerken en den aanleg van een vrije haven 30 millioen mark besteed. In 1905 werd er in het geheel 823 275 ton uitgevoerd en over zee 3 007 788 ton ingevoerd. De voornaamste uitvoerprodukten zijn: graan, meel, oliezaden, hout, chemicaliën, aardappelen, haringen,

cichorei, suiker enz.; ingevoerd worden: steenkool, ijzer, ijzerwaren, ertsen, chemicaliën, ijs, graan, meel, zemelen enz. De reederij telde (1905) 10 zeilschepen van 4671 ton en 105 stoomschepen van 67 035 ton inhoud. In dat jaar kwamen er 4923 schepen van 1 481 518 ton de haven binnen, terwijl 4914 schepen van 1 486 053 ton haar verlieten. Stettin onderhoudt een geregeld stoombootverkeer met de belangrijkste havens van de Oostzee en met Noorsche,Belgische, Nederlandsche, Ergelsche en NoordAmerikaan sche havens. De handel wordt door een aantal banken ondersteund. De stad is een kruispunt van spoorwegen en bezit electrisch tramverkeer.

Men vindt er 3 gymnasia, 2 reaalgymnasia, 2 kweekscholen voor onderwijzeressen, scholen voor machinsten, bouwkundigen, zeelieden, vroedvrouwen, een landbouwschool, een handelsschool, een doofstommeninstituut, een blindeninstituut enz., verder een stedelijke bibliotheek, een museum van oudheden, een van natuurlijke historie en een kunstmuseum, 2 schouwburgen, een botanischen tuin, verschillende weten schappelijke vereenigirgen enz. Tot de liefdadige instellingen behooren: het Johannisklooster, voor arme oude burgers, hun weduwen en dochters, een weeshuis, 2 ziekenhuizen, een kinderziekenhuis, een tehuis voor doofstommen, voor gebrekkigen, soldaten en zeelieden, inrichtingen voor idioten enz. In 1884 werd er een staalbron ontdekt, waarvan het water tegen maag-, darm- en leveraandoeningen gebruikt wordt. Stettin is de zetel van een aantal bestuursinrichtingen en van eenige rechtbanken. De omgevi'g is fraai, bekend zijn voor; 1 de Eckerberger Forst en de Buchheide.

Stettin, een oude Wer.dische kolonie, wordt eerst

in de 12de eeuw als koopstad vermeld. Ongeveer sedert 1120 was zij de zetel van een vorstenhuis uit Pommeren, voegde zich in 1360 bij de Hansa, omhelsde in 1522 do Hervorming en kwam in 1630 in het bezit van Gtislaaf Adolf, die haar belangrijk versterkte. Bij den Vrede van Münster wi rd zij afgestaan aan Zweden, viel in 1678 in handen van den keurvorst van Brandenburg, maar werd reeds het volgende jaar aan Zweden teruggegeven. In 1713 werd zij belegerd door de Russen en de Saksen en bij den Vrede van Stockholm (1720) werd zij met VoorPommeren aan Pruisen toegewezen. Na de catastrophe van 1806 kwam zij in het bezit der Franschen, die haar tot 1813 behielden. Tengevolge van een wet van 1873 werden de vestingwerken geslecht.

Stettiner Kaff. Zie Pommersch Haff.

Stenb, Ludmg, een Duitsch schrijver, geboren den 20sten Februari 1812 te Aichach in Opper-Beieren, vertrok later met zijn ouders naar München en studeerde er in de rechten en in de letteren. In 1834 ging hij naar Griekenland en werd er als ambtenaar geplaatst, eerst te Nauplia en vervolgens te Athene. Hij keerde in 1836 naar München terug en werd er in 1845 tot pleitbezorger en in 1836 tot notaris be¬

noemd. Hij overleed den 16"611 Maart 1888. In 1898 werd te Brixlegg in het dal van den Beneden-Inn een standbeeld voor hem opgericht. Van zijn geschriften vermelden wij: „TJeber die Urbewohner Ra tien s und ihren Zusammenhang mit den Etruskern"(1843),„Zurratischen Ethnologie"(1854),„Die oberdeutschenFamiliinnamen"(1870),„ZurNamensund Landtskunde der Deutschen Alpen"(1885) en „Zur Ethnologie der Deutschen Alpen"(1887), verder: „Drei Sommer in Tirol"(1846), „Das bayrische

Sluiten