Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Humoresken" (1892), „Der Liedermicher" (1893), „Emma, das geheimnisvolle Hausmadchen" (1904) en'andere romans. Hij overleed den 5aea Augustus 1905 "te Olsberg bij Kassei. Uit zijn nalatenschap verscheen „Heinz Treulieb und allerlei Anderes" (1906).

Stinkdas (Mydaus meliceps), op Sumatra Tellegro of Teledoe, op Java Segoeng en op Borneo Saat geheeten, is een roofdier uit de familie van de marters. Het dier krijgt een lengte van 35 cm., waarbij nog een staartstompje van 2 cm. komt. Het vel is donkerbruin en bezet met lange, dichte haren, de onderkant is lichter dan de bovenkant. Over den rug loopt een geelachtige of witte streep, Het dier woont op Sumatra, Java en Borneo, graaft tusschen de wortels van boomen een kunstig hol, dat naar verschillende zijden uitgangen hoeft, en jaagt 's nachts op larven en wormen. Zijn bewegingen zijn langzaam, het dier knort als een hond of een varken en blaft als een hond. Uit klieren bij de opening van den dikken darm scheidt het, wanneer het zich wil verdedigen, een vloeistof af, die een vreeselijken stank verspreidt. Het wijfje werpt 3—4 jongen. Het vleesch van het dier kan gegeten worden.

Stinkdier (Mephitis Cuv.) is de naam van een zoogdierengeslacht, dat tot de familie der Marters (Mustelidae) behoort. Den naam ontleenen deze dieren aan den eigenaardigen, schier ondragelijken stank, dien de soorten van dit geslacht verspreiden. Die stank ontstaat door een afscheiding van een tweetal klieren, die ter grootte van hazelnoten in den

Amerikaansch stinkdier.

endeldarm uitkomen. Deze dieren zijn verwant aan denjbunsing, maar hebben tevens veel overeenkomst met dassen, zoowel in,vorm van'ledematen, als in de gewoonte om met hunne lange klauwen onderaardsche holen te graven. Mephitis Zorilla Licht, heeft een donkerbruin of zwart gemarmerde pels met witte strepen, een aantal witte vlekken en strepen. Hij woont in Afrika en Klein-Azië, leeft in kloven of holen en eet muizen en andere kleine dieren, waarom hij wel door sommigen in huis genomen wordt. De Chinga of Mephitis varians leeft in Noord-Amerika. Het vleesch van dit dier wordt gegeten, het vel als bont (skunks) en de inhoud van de klieren als zenuwsterkend middel gebruikt.

Stinkende gouwe. Zie Chelidonium.

Stinklei. Zie Stinksteen.

Stinkmarter. Zie Bunsing.

Stinkmergel. Zie Stinksteen.

Stinksteen, Stinkmergel of Stinklei is een soort van bitumineusen kalksteen en wordt alzoo genoemd wegens den eigenaardigen, onaangenamen, ammoniakalen, naar dien van zwavelwaterstof zweemenden reuk, welke zich-daaruit ontwikkelt, wanneer men het gesteente wrijft,verwarmt of st ikslaat. Het is dicht, splinterig op de breuk en meestal donker, leikleurig, bruin, grijs of zwartachtig. Men vindt het hier en daar in koperlei boven den zechsteen of ook wel boven of tusschen het gips. Men bezigt het tot het bouwen van huizen, tot zerken, stoepsteenen, het plaveien van straten, wegen enz. In gebranden toestand levert het een uitmuntende metselspecie, bekend onder den naam van steenkalk, bij verweering is het zeer geschikt voor de klaverteelt.

Stintzing', Roderich, een Duitsch geneeskundige, geboren den 12den Februari 1854 te Heidelberg, studeerde te Bonn, Leipzig en Tubingen, promoveerde in 1878 te Bonn, werd in 1879 assistent aan het psychologisch instituut aldaar, was van 1880— 1888 assistent-arts aan het medisch-klinisch instituut en aan de geneeskundige kliniek te München, vestigde zich in 1883 als privaatdocent, werd in 1890 buitengewoon hoogleeraar en directeur van de geneeskundige polikliniek en in 1892 gewoon hoogleeraar en directeur van de kliniek aldaar. Hij schreef: „Beitrag zur Anwendung des Arseniks bei chronischen Lungenleiden" (1883), „Klinische Beobachtungen aus der zweiten medizinischen Kliniek" (1884), „Die Elektromedizin in der internationalen Elektrizitatsausstellung zu München" (1883), „Über Nervendehnune"(1883) en „Handbuch

der speziellen Therapie innerer Krankheiten" (3de druk, 7 dln., 1903).

cu r :. ...— ..1....

Stipa, L. is de naam van een plantengeslacht uit de familie der grassen (Gramineae). Het onderscheidt zich door een kraakbeenachitig, opgerold, in een lange, gedraaide kafnaald uitloopend kroonkaf je. De meest bekende soort is het vedergras (S. pennata £.), dat zich onderscheidt door zeer lange, knievormig gebogen, veervormige, behaarde kafnaalden. Het komt voor op droge weilanden. Verder heeft men S. capillata met zeer lange, knievormig geknikte, onbehaarde kafnaalden, en S. tena-

cissima L., in Spanje en JSoord-Atrika groeiende.

Stipendium of Beurs noemt men een geldelijken onderstand gedurende een zeker aantal jaren, ter gemoetkoming. in de studiekosten, aan studeerenden toegekend. Men heeft rijksbeurzen voor bepaalde vakken, familiestipendia voor leden van deze of gene familie, reisstipendia, aan jeugdige geleerden of kunstenaars toegekend, om hun studie in het buitenland voort te zetten, enz.

Stipriaan Luïscius. Zie Lusïcius.

Stipulatie noemt men een bepaling, die bij overeenkomst tusschen twee partijen is vastgesteld. Zie Overeenkomst.

Stilling of Stirlingshire, een graafschap in het zuiden van Schotland, grenst in het oosten aan de Forthbaai der Noordzee en telt op 1159 v.km.(1901) 142 338 inwoners. Het is in zijn noordwestelijk gedeelte een kale bergstreek, waar de Ben Lomond zich ter hoogte van 973 m. verheft, door een strook veengrond gescheiden van de Campsie Fells, terwijl het

Sluiten