Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pacific-spoorweg in een vruchtbare omgeving, waar veel tarwe verbouwd wordt. De stad bezit eenige kerken, een klooster, eenige bibliotheken, een rijkskrankzinnigengesticht, fabrieken voor landbouwwerktuigen, rijtuigen enz., looierijen en metaalgieterijen en veel handel. De plaats telt (1900) 17 506 inwoners.

Stockton upon Tees, een havenstad m het Engelsche graafschap Durham, aan den mond van de Tees, is met South-Stockton door 2 bruggen verbonden. Tezamen hebben zij 51478 inwoners. Stockton bezit een mooi stadhuis, een groot marktplein, een aantal moderne kerken, een synagoge, een beurs, 3 schouwburgen, oen bibliotheek, een Latijnsche school en veel nijverheid en handel. Men vervaardigt er voornamelijk zeildoek, touw en andere op de scheepvaart betrekking hebbende artikelen; ook heeft de plaats ijzer- en messinggieterijen en kalkbranderijen, benevens scheepsbouw. De handel omvat visch, graan, kaas, boter, aluin, lood en vooral steenkool,

Stockwell is de naam van een gedeelte van Londen, in het distrikt Lambeth, ten O. van Clapham gelegen.

Stoddard, Richard Henry, een Amerikaansch schrijver, geboren den 2den Juli 1825 te Hingham in Massachusetts, kwam op tienjarigen leeftijd te New-York in de leer bij een bronsgieter, werd later journalist en medewerker aan verschillende tijdschriften. Hij schreef in de eerste plaats een aantal gedichten. Wij noemen van hem: „Foot-prints" (1849), ,,Poems"(1852), „Songs of summer"(1857), „The king's belT(1863), „Abraham Lincoln"(1895), „Songs of the East"(1867), „The lion's cub, with other verse"(1890) en de prozastudiën; „The loves and heroines of the poets"(1881), en „Under the evening lamp"(1892). Buitendien gaf hij een aantal anthologieën uit en schreef monografieën over Poe, Shelley, Longfellou), Bryant, Irving enz. Hij overleed den 12ien Mei 1903 te New-York. Na zijn dood verschenen zijn ,,Recollections"(1903).

Stoechiometrie is in de scheikundige meetkunde de leer van de verhoudingen van gewicht en volume, volgens welke scheikundige werkingen plaats hebben.

Stoelgang of Ontlasting noemt men in de eercfp nlnn.ts hot. nifrlriiveii van de onverteerde resten

van het opgenomen voedsel, in de tweede plaats Ao rpstan 7,in verder Tlitwervselen.

Stoet, Frederik August, een Nederlandsch taalkundige, werd den 5den Mei 1863 te Leeuwarden geboren, waar hij op de hoogere burgerschool en het gymnasium zijn voorbereidende opleiding ontving. In 1883 werd hij student aan de Rijksuniversiteit te Leiden en promoveerde daar tot doctor in de Nederlandsche letteren den 15del1 Juni 1889, op een proefschrift, getiteld: „Proeve eener beknopte middelnederlandsche syntaxis". In 1888 was hij intusschen reeds benoemd tot leeraar in de Nederlandsche taaien letterkunde en in de geschiedenis aan het stedelijk gymnasium te Amsterdam, welke functie hij sedert onafgebroken vervulde, in later tijd uitsluitend Nederlandsche taal- en letterkunde doceerend. Hijleverde vele bijdragen aanhet„TijdschriftvoorNederlandsche taal- en letterkunde", „Noord en Zuid", „Taal en letteren" en „HetMuseum'Mn afzonderlijke uitgaven zagen van hem hetlicht: „Beknopte middelnederlandsche spraakkunst, etyrnologie"(1890),

XIV

„J.Penon. Glossarium op de bloemlezing van Middelnederlandsche dichters"(bijgewerkt, 1890), „Bloemlezing van Middelnederlandsche dichters I—II, nieuwe druk"(1892-1909), „P. C. Hoofts Gedichten, nieuwe uitgave"(1899), „Nederlandsche Spreekwoorden enz."(1901, 2de druk 1905), id. verkorte uitgave (1902, 1906). Inmiddels gaf hij geannoteerde uitgaven van verschillende klassieke Nederlandsche schrijvers voor het „Letterkundig Pantheon". Hij;is lid van de „Maatschappij derNederlandsche letterkunde" en van het „Provinciaal Utrechtsch

Genootschap van Kunsten en Wetenschappen . Stoeterii noemt men inrichtingen, waar paar¬

den gefokt worden. Zij worden óf door het rijk, óf door particulieren onderhouden; in het eerste geval dienen zij voor verbetering van het paardenras van

een land. Nederland bezit sedert ïaui een wet op oe paardenfokkerij. Zie verder Paarden.

Stof. Zie Materie.

Stof noemt men de deeltjes van vaste organische en anorganische lichamen, die in den dampkring voorkomen. Grootere stofdeeltjes vallen, wanneer de lucht in een toestand van betrekkelijke rust verkeert weldra neer, fijnere deeltjes blijven zweven, de fijnste zijn voor het ongewapend oog onzichtbaar. Stof ontstaat op zeer verschillende wijzen o. a. door verweering van gesteenten, door uitbarstingen van vulkanen, door verbrandingsprocessen, door slijtage van alle mogelijke voorwerpen. Vloeistoffen geven in rust nooit stofdeeltjes af; wel kan door een hevige beweging of door schuimvorming, waarbij het vocht verdampt en de vaste deeltjes in de lucht geslingerd worden, stof ontstaan. De stofdeeltjes spelen bij de verdichting van den in de lucht aanwezigen waterdamp een belangrijke rol, daar zij een kern vormen, waarop het water neerslaat; stofvrije, vochtige lucht kan ver beneden het dauwpunt afgekoeld worden, zonder dat de waterdamp condenseert. Landlucht bevat over het algemeen minder stof dan stadslucht. Een nauwkeurig onderzoek naar de aanwezigheid van de hoeveelheid stof is moeilijk; men heeft echter daarvoor verschillende toestellen uitgevonden, zooals de stofjesteler (zie aldaar) van Aitken en de aeroskoop (zie aldaar) van Pouchet. Men heeft aangenomen, dat bij droog weer 1 kub. cm. landlucht 3—4,5 mgr., bij vochtig weer 0,15 mgr. stof bevat, in fabrieken daarentegen heeft men tot 175 mgr. in 1 kub. cm. lucht gevonden. Aitken vond bij regen 32 000, bij mooi weer 130 000, in kamerlucht 1 860 000, aan de zoldering 5 420 000, op den Rigi 210 stofdeelties ner kub. cm. In den winter bevat de

lucht weinig bacteriën, in den herfst veel, stadslucht bevat meer bacteriën dan landlucht.

Stof werkt nadeelig op de huid, de slijmhuid en de ademhalingswerktuigen. Men heeft op verschillende wijzen getracht, de stofplaag zoo gering mogelijk te maken, vooral het stof, dat bepaaldelijk in den laats ten tijd door het steeds toenemend verkeer, niet het minst door rijwielen en automobielen, op de openbare wegen gevormd wordt en die ook voor een deel de stofvorming in de huizen bewerkt. Dit geschiedt door het verwijderen van de stof, bijv. door straatveegmachines, en door het vastleggen van de stof. De besproeiing met water is, wegens de snelle verdamping, onvoldoende. Daarom heeft men proeven genomen met verschillende andere vloeistoffen, zooals ruwe petroleum, steenkoolteer of asfaltachtige stoffen. Het best voldoet tot nu toe een weinig

44

Sluiten