Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Grieksche wijsgeeren, welke zich tegelijk met die van Epicurus ontwikkelde en haar naam ontleende aan de Stoa (zie aldaar). Haar stichter was Zeno uit Kittion op Cyprus, die te Athene onderwijs gaf, (336— 264 v. Chr.). Zijn denkbeelden, gedeeltelijk in strijd met die der jongere Academie, werden door zijn volgelingen Kleantlies rit Assos in Troas en Clirysippos uit Soli in Cilicië duidelijk uiteengezet, terwijl Amten uit Chios en Herillos uit Cartago alleen zijn gestrenge zedeleer omhelsden. Een algemeen kenmerk van de richting der Stoïcijnen is daarin gelegen, dat zij de wijsbegeerte in een eenvoudigen vorm trachtten te kleeden en voor allen verstaanbaar te maken, zoodat zij op het praktisch leven kon worden toegepast. De zedeleer was bij hen de hoofdzaak, en zij onderwierpen deze aan de logica. Zij beschouwden de ervaring als den grondslag van alle kennis. Ook op het gebied der natuurkunde plaatsten zij de stelling op den voorgrond, dat alles, wat als oorzaak beschouwd wordt, een lichaam moest wezen. Zij beschouwden de stof als het positieve en God als het actieve beginsel, zonder evenwel die beide beginselen te scheiden, daar zij beweerden, dat de kracht in de stof aanwezig is. Daar alzoo de wereld redematig en goddelijk is, zoo heeft ook ieder voorwerp der schepping deel aan de algemeene rede. Deze laatste is volgens Zeno een denkend, levend vuur, dat zich aan de grondstoffen mededeelt, om eindelijk tot de oorspronkelijke eenheid terug te keeren. In overeenstemming met zijn natuurlijke beginselen noemen zij het hoogste zedelijke beginsel overeenstemming met de natuur. De apathie, iets anders dan de gevoelloosheid, en het begrip van den wijze, als belichaming van de rede, spelen in hun ethica een groote rol. Een belangrijke wijziging werd in de leer der Stoïcijnen gebracht door Panaetius en Poseidonios, door wie zij ingang vond in Rome. Eerst hier ontwikkelde zij zich tot een praktische, populaire wijsbegeerte. Onder het despotisme der Caesars had het stoïcisme een politieke beteekenis, daar de mannen der oppositie tot zijn aanhangers behoorden. Deze werden vervolgd, totdat Marcus Aurélius Antoninus den troon beklom en de leer der Stoïcijnen in bescherming nam. Na den tijd der Antonijnen echter verdwijnt zij uit de geschiedenis. Zij heeft echter op de patristiek, ten tijde van de Hervorming en later veel invloed uitgeoefend.

Stoilov, Conslantijn, een Bulgaarsch staatsman, geboren in 18B2 te Philippopel, studeerde te Heidelberg in de rechten, werd in 1879 in de Bulgaarsche vergadering van notabelen te Tirnova beroepen, die voor het nieuwe vorstendom Bulgarije een grondwet zou ontwerpen, was een van de leiders van de conservatieven en reikte aan den nieuwen vorst Alexander te Livadië de verkiezingsacte over. Hij werd chef van het vorstelijk kabinet, in 1882 minister van Buitenlandsche Zaken en vanEeredienst en van 1883—1884 en van 1886—1887, tijdens het regentschap, minister van Justitie. Met Natsjevic vormde hij na de verkiezing van Ferdinand een conservatief ministerie en maakte tot 1888 deel uit van het ministerie Stamboelov. In 1894 werd hij met de portefeuilles van Binnenlandsche en van Buitenlandsche Zaken belast en behield deze tot 1899.

Stok, Johannes Paulus van der, een Nederlandsch meteoroloog, werd den 14den Januari 1861 te Zuylen geboren, ontving zijn voorbereidende opleiding 1863—1867 aan het gymnasium te Utrecht,

studeerde van 1867-1874 aan de universiteit aldaar en promoveerde in laatstgenoemd jaar tot doctor in de wis- en natuurkunde. Van 1874—1876 was hij leeraar aan het gymnasium te 's Gravenhage, ontving in Mei 1877 eene aanstelling tot onderdirecteur van het Koninklijk magnetisch en meteorologisch observatorium te Batavia en werd in Mei 1882 bevorderd tot directeur dier instelling, welk ambt hij vervulde tot zijn benoeming in 1899 als directeur der afdeeling voor oceanografie en maritieme meteorologie aan het Koninklijk meteorologisch instituut te De Bilt, welke functie hij sedert onafgebroken vervult. Hij was van 1886—1901 correspondeerend lid en is sedert 1903 gewoon lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen en van vele andere binnen- en buitenlandsche geleerde genootschappen. Hij is eerevoorzitter van het college van curatoren van het gymnasium Willem III te Batavia. In afzonderlijke uitgaven zagen van hem het licht: „Observations made at the magnetical and meteorological observatory at Batavia"(vol VI —XX 1881—1897), „Regenwaarnemingen in Nederlandsch Indië" (vol IV—XIX, 1882—1897), „Wind and weather currents, tides and tidal streams in the East Indian Archipelago"(1897), „Studiën over getijden in den Indischen Archipel''(1890— 1896), „Oceanographische en meteorologische waarnemingen in den Indischen Oceaan 1856—1904" (1908), „Etudes des phénomènes demaréel—IV" (1904—1910), „Elementaire theorie der getijden" (1910). Verder leverde hij verschillende bijdragen aan een groot aantal binnen- en buitenlandsche tijdschriften zooals het „Natuurkundig tijdschrift voor Nederlandsch-Indië", „Verhandelingen en verslagen van de Koninklijke Akademie", „Archives néerlandaises" enz.

Stoke, Melis, een Nederlandsch dichter uit de Middeleeuwen, leefde in het laatst der 13de en in het begin der 14de eeuw, was ambtenaar aan het grafelijk hof van Holland en is bekend geworden door zijn „Rijmkroniek", die hij schreef, in aansluiting bij de Latijnsche „Chronicon Egmundanum", om Floris V mede te deelen wat er met het Hollandsche gravengeslacht was gebeurd, hoe aanzienlijk dit was, welke gegronde rechten het op Friesland had enz. Stoke voegde er een geschiedenis van zijn eigen tijd aan toe en droeg zijn werk in 1305 aan Willem, III op. Nog altijd is deze kroniek voor de geschiedenis van Floris V, Jan II en gedeeltelijk ook van Willem III een uitmuntende bron. Van deze „Kronyk" zijn slechts',3 handschriften bekend, welke zich in de Koninklijke Bibliotheek te 's Gravenhage bevinden. Zij is het eerst uitgegeven door Joluin van der Does (1591), later door Alkemade en eindelijk door Huydecoper (1772).

Stokerij. Zie Spiritus.

Stokes, George Gabriel, een Iersch wis- en natuurkundige, geboren den 13den Augustus 1819 te Skreen in het Iersche landschap Sligo, studeerde te Cambridge en werd in 1849 hoogleeraar in de wiskunde aan de universiteit aldaar. Van 1854—1885 was hij secretaris en van 1886—1890 president van de Royal Society. In 1889 werd hij in den adelstand verheven. Hij overleed den l8ten Februari 1903 te Londen. Zijn talrijke wiskundige verhandelingen loopen over de hoogere reeksen, de theorie van de differentiaal- en integraalvergelijkingen, vele takken van de hoogere mechanica, de hydrodynamica, de

Sluiten