Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keper-, damast- en tulestopsteek. Bij de lakenfabricage noemt men stoppen het dichtnaaien van de gaatjes, die bij het scheren van het laken zijn ontstaan.

Stopper noemt men het toestel op het dek van een schip, dat dient om de ankerkettingen vast te houden. Stoppers op het bovendek heeten dekstoppers, stoppers op het tusschendek tusschendekstoppers. Op oudere schepen noemt men stoppers ook korte touwen of kettingen, waaraan aan het eene einde haken voor het vastmaken van de ankerketting zijn bevestigd, terwijl het andere einde op het dek vastgemaakt wordt.

Storax. Onder dezen naam vermelden wij twee plantengeslachten. Het geslacht Liquidambar L. omvat slanke, balsembevattende boomen met mannelijke en vrouwelijke katjes. De Amerikaansche storaxboom (L. styraeiflua L.) bereikt een hoogte van 12 m., heeft een grijze,gescheurde schors, een pyramidale kroon, gesteelde, handvormige bladeren en vertakte mannelijke bloemkatjes. Uit de scheuren van zijn stam en vooral uit insnijdingen komt de balsem te voorschijn, bekend onder den naam van ambra liquida. Deze boom groeit in de zuidelijke staten van Noord-Amerika en in een gedeelte van Mexico. Het geslacht Styrax uit de familie der Styraceeën heeft een kruik-klokvormigen,afgestompten of 5-tandigen kelk. De bloem is klokvormig, 6deelig,vaak echter 4-,6- of 7-deelig en langer dan de kelk. Er zijn 10 meeldraden, wier helmdraden aan de basis ringvormig samengegroeid en wier helmknoppen 2-hokkig zijn. Het vruchtbeginsel is eivormig en 3-hokkig. de stijl draadvormig, de stempel 3-lobbig. De gewone storaxboom (St. officinalis L.) is gewoonlijk een heester van middelmatige grootte, maar wordt ook wel een boom ter hoogte van 8 m. De bladeren zijn gesteeld, gaaf en aan de onderzijde glanzig, de bloemtrossen eindstandig, de kelken groen en de bloemkronen wit. Deze plant groeit vooral aan de Middellandsche Zee, bijv. op Cyprus, Kreta en in Griekenland. Van deze plant komt een welriekend hars, onder de namen gewone storax (Styrax aïbus, styrax in granis) en amandelachtige stoT&x(styraxlamygdaloidesoislyraxinmassis)bek.enA.

Storch, Ludwig, een Duitsch schrijver, geboren den 14den April 1803 te Ruhla in het Thüringerwald, studeerde te Göttingen en te Leipzig in de godgeleerdheid, doch bgde zich weldra op de letterkunde toe en kwam in 1828 te Stuttgart in betrekking met Spindler. In 1830 vertrok hij naar Gotha, stichtte er in 1840 een boekdrukkerij, woonde vervolgens te Georgethal, te Waltershausen en te Bayreuth, vertrok in 1856 naar Opper-Hongarije en vestigde zich in 1857 te Leipzig. Hier werd hij verbannen, hield daarna zijn verblijf bij Bamberg, te Regensburg, in Holstein en te Würzburg en begaf zich in 1866 als pensionair van de Schillerstichting naar Kreuzwertheim aan den Main, waar hij blind werd en den 5den Februari 1881 overleed. Van zijn talrijke geschriften noemen wij: „Kunz von Kauffungen" (3 dln., 1827), „Der Freiknceht" (3 dln., 1830), „Max von Eigl" (3 dln., 1844), „Ein Deutscher Leineweber"(9dln.,1846—1849), „Leute von gestern" (3 dln., 1853), „Die Königin" (4 dln., 1858 enz.), „Gedichte" (1854), „Thüringische Chronik" (1841—1843) en „Wanderbuch durch den Thüringerwald" (2de druk, 1851). Zijn „Poetischer Nachlasz" is in 1882 in het licht verschenen.

Storok, Abraham (ook wel Stork), een Hollandsch schilder van zeestukken en stadsgezichten, tevens etser, geboren te Amsterdam omstreeks 1630 en overleden aldaar omstreeks 1610 (?). Hij is een navolger van l/udolf Backhuysen. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Rijksmuseum en het prentenkabinet te Amsterdam, in het Mauritshuis te 's Gravenhage het museum Boymans te Rotterdam en in Teylers museum te Haarlem.

Storck, Wilhelm, een Duitsch taalgeleerde, geboren den 5den Juli 1829 te Letmathe in het distrikt Iserlohn, studeerde te München, Munster, Bonn en Berlijn in de letteren en werd in 1859 aan de Koninklijke Academie te Münster tot buitengewoon en in 1868 tot gewoon hoogleeraar in de Duitsche taal en letterkunde benoemd, waar hij soms ook voorlezingen overliet Sanskriet, ProvenQaals, Italiaansch Spaansch en Portugeesch hield. Hij overleed te Münster den 16den Juli 1905. Vooral als vertaler is hij zeer bekend geworden. Zijn hoofdwerk op dit gebied is: „Luis de Camoens' samtliche Gedichte" (6 dln., 1880—1885), waarbij zich de critische biografie „Luis de Camoens' Leben" (1890) aansluit. Verder noemen wij van hem: „Lose Ranken" (1867), „Buch der Lieder aus der Minnezeit" (1872), „Aus Portugal und Brasiliën" (1892), „Die Psalmen" (1904) en „Das Buch Hiob" en bezorgde hij uitgaven van de gedichten van Luis Ponce de Leon (1853), Juan de la Cruz en Teresa de Jesus (1854).

Storingen (perturbatièn) noemt men in de sterrenkunde de betrekkelijk kleine afwijkingen in de standplaatsen en bewegingen der hemellichamen, bepaaldelijk van die van ons zonnestelsel, welke uit de onderlinge aantrekking der lichamen voortvloeien. Indien de aarde met de zon alleen in de ruimte zweefde, zoude de eerste om de tweede een zuivere ellips beschrijven. De aantrekking van de planeet Jupiter bijv. brengt daarin een wijziging, die met den naam van storing bestempeld wordt. Het is duidelijk,'dat laatstgenoemde planeet daardoor eveneens een storing ondervindt. De sterrenkundige berekent zoodanige storingen, om daardoor de juiste plaats van een planeet te bepalen, en hij wordt omgekeerd door het vinden van onbekende storingen geleid in het zoeken naar de oorzaken van deze.

Stork, Charles Theodoor, een Nederlandsch groot-industrieel, werd den 9den Februari 1822 te Oldenzaal geboren. Reeds in 1836, dus op veertienjarigen leeftijd, richtte hij aldaar een kleine weverij op, van het door zijn vader geleende geld, in welke fabriek eerst calicots (witte goederen), later ook bonte stoffen vervaardigd werden. In 1858 werd door hem, zijn jongeren broeder J. E. Stork en den heer Ekker de eerste Nederlandsche stoom-bontweverij te Hengeloo gesticht en in 1862, in samenwerking met de heeren Gelderman en Eekhout, een stoomkatoenspinnerij te Oldenzaal, die beide vooral op de Indische markt een ruim afzetgebied vonden. Voornamelijk door zijn initiatief kwam in 1865 de spoorweg Almelo—Hengeloo—Oldenzaal—Bentheim—Salzbergen tot stand, die het nijvere Twente in verbinding bracht met de groote handelscentra in het buitenland. Na den dood van zijn broeder Coenraad Stork in 1864, die met den heer Meijling een ijzer- en metaalgieterij te Borne beheerde, nam hij die fabriek over en verplaatste haar naar Hengeloo, waar het hem na jarenlangen, inspannenden arbeid

Sluiten