Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergelding trachten te vereenigen met de maatschappelijkenuttigheid of de handhaving der rechtsorde. De opvattingen op dit gebied worden voor een groot deel beheerscht door de strijdvraag over de vrijheid of onvrijheid van den menschelijken wil.

Uit de historische ontwikkeling van het strafrecht blijkt, dat de bestraffing van misdrijven oorspronkelijk niet geschiedde door de overheid, maar door private personen; zij was alzoo een particuliere zaak tusschen den beleediger en den beleedigde. Alleen handelingen tegen den stam of de gemeenschap werden als misdaden beschouwd, bv. verraad, overloopen tot den vijand enz., en zulke handelingen strafte men met den dood. Langzamerhand ontwikkelde zich de opvatting, dat ook in andere gevallen het strafrecht publiek rccht is, maar bij vele volkeren, speciaal bij de Germaansche, is nog eeuwen lang blijven bestaan de bestraffing door private personen, de bloedwraak. De verplichting om die wraak te nemen rustte niet alleen op den benadeelde persoonlijk, maar op zijn geheele familie en de wraakneming geschiedde tegen de geheele familie van den dader. Evenwel hadden de beleedigde en zijn familie de bevoegdheid om in plaats van de bloedwraak een geldsom als afkoopsom aan te nemen, welke bevoegdheid in den loop der tijden een verplichting werd, zoodat de bloedwraak verdween en plaats maakte voor recht op een geldsom (compositie). Naast deze aan deri beleedigde te betelen som moest de dader een boete (fredus of fredum) betalen aan den stam of de gemeenschap. Dit stelsel wordt in verschillende Middeleeuwsche bronnen, bv. den „Sachsenspiegel" en „Schwabenspiegel" — zij het soms onder andere namen — teruggevonden. Langzamerhand komt het straffen geheel in handen van den Staat, zij het dan ook, dat zonder aanklacht van den beleedigde in vele gevallen niet werd vervolgd. In de tweede helft der Middel-Eeuwen worden de straffen zeer streng en wreed: kruisiging, levend begraven, burgelijke dood, dwangarbeid, allerlei verminkingen werden in vele gevallen toegepast. Een groot deel van het strafrecht berustte ook bij de Kerk, wier canoniek recht zich mede over vele vergrijpen van zuiver wereldlijken aard (bv. woeker, misdrijven tegen de zeden) uitstrekte. Grieven tegen het strafrecht van die dagen waren o.a. ook, dat elke stad haar eigen strafbepalingen had, alsmede dat in die bepalingen ontbrak alle bepaaldheid, zoowel wat de strafbare feiten als wat de straffen zelf betreft. Aan dit een en ander werd tot zekere hoogte tegemoetgekomen door de Constitulio Criminalis Carolina, een soort Wetboek, in 1632 op last van Karei V tot stand gekomen op den Rijksdag te Regensburg. Ofschoon ook dit Wetboek zich kenmerkte door groote strengheid in het strafstelsel, gaf het aan dat stelsel eenige eenheid en vastheid, welke eenheid en vastheid evenwel verminderd werden door de bepaling (clausula salvatoria), dat daarnaast de afzonderlijke landrechten zouden blijven bestaan. In de geheele 17e en 18e eeuw bleef dan ook groote onzekerheid en verscheidenheid in het strafrecht heersclien en voerden pogingen tot hervorming tot geen resultaat. Eerst in het laatst der 18e eeuw kwam de openbare meening in beweging onder den invloed van verschillende schrijvers, vooral van Voltaire en van Beccaria, die in zijn in 1764 ver¬

schenen geschrift (Dei delitti e della pene) met vuur in verzet kwam tegen doodstraf, lijfstraffen, pijnbank en andere strafrechtsinstellingen van die dagen. Door hem is tevens de nadruk gelegd op den regel, dat geen feit strafbaar mag zijn dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling (vgl. art. 1 van ons Wetboek van Strafrecht). Onder den invloed van deze denkbeelden kwamen in het laatst der 18de eeuw verschillende Wetboeken tot stand; zoo werd een nieuwe strafwetgeving door Frederik den Groote opgenomen in het Allgemeine Preuszische Landrecht van 1794 en werd in 1787 door Jozef II in Oostenrijk een Wetboek ingevoerd, waarin de doodstraf niet meer voorkwam.

Hier te lande schreef de Staatsregeling van 1798 voor, dat er een Wetboek zou gemaakt worden zoowel van burgerlijke als van lijfstraffelijke wetten. Na langdurige voorbereiding kwam tot stand het Crimineele Wetboek voor het koninkrijk Holland dat in 1809 werd ingevoerd. Bij de inlijving bij Frankrijk werd dit Wetboek vervangen door den Franschen Code Pénal van 1810 die tot 1886 heeft gegolden. Dit Wetboek steunde op de gedachte, dat het publiek nut de grondslag der strafoplegging was en dat het doel der strafrechtspleging was voorkoming van misdrijven door afschrikking. Doodstraf zoowel als andere onteerende en lijfstraffen speelden er een groote rol in (zie straf). Na de herkrijging onzer onafhankelijkheid werden in dit Wetboek verschillende wijzigingen gebracht; zoo werd bv. bij Souverein Besluit van 11 Dec. 1813 (Stbl. 10) afgeschaft de algemeene verbeurdverklaring van goederen, het stellen van misdadigers onder toezicht van de hooge Staatspolitie, de altijddurende dwangarbeid en de dwangarbeid voor een bepaalden tijd, de openbare tentoonstelling aan de kaak. Daarentegen werden verschillende andere straffen ingevoerd, zooals geeseling en tepronkstelling op het schavot. Bij de wet van 29 Juni 1854 (Stbl. 102) werden deze beide laatste straffen weer afgeschaft en werden tevens vele andere verzachtingen in het strafstelsel gebracht, bv. door ruime toelating van verzachtende omstandigheden. Een belangrijke wet was ook die van 17 Sept. 1870 (Stbl. 162), waarbij de doodstraf werd afgeschaft, behalve in militaire zaken. Intusschen werden telkens pogingen aangewend voor totstandkoming van een nieuw nationaal Strafwetboek. Aan een in 1870 benoemde Staatscommissie gelukte het een ontwerp samen te stellen dat algemeen bijval vond. Het werd tot grondslag gelegd aan de Regeeringsvoorstellen die in 1879 door den Minister van Justitie Mr. H. J. Smidt bij de Tweede Kamer werden ingediend en door zijn opvolger Mr. A. E. J. Modderman met talent werden verdedigd. Den 3den Maart 1881 (Stbl. 35) kwam het Wetboek van Strafrecht tot stand. Voordat het in werking kon treden, moesten nog verschillende andere Wetboeken en wetten daarmede in overeenstemming worden gebracht en moesten nog verschillende andere maatregelen tot stand komen, o.a. wetten tot vaststelling der beginselen van het gevangeniswezen (14 April 1886 Stbl. 62) en tot aanwijzing der gestichten waar hetzij gevangenisstraf hetzij hechtenis wordt ondergaan en van aanverwante gestichten (3 Jan. 1884 Stbl. 3). Nadat dit alles was tot stand gekomen en bij een zoogenaamde na-

Sluiten