Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk goed zichtbaar is, daar de golven en de branding op de hoogte van den waterspiegel het gesteente min of meer volgens een horizontale lijn uithollen. In vereeniging met ophoopingen van rolsteenen, schalen van zeedieren, zeewier enz. strekken zich zulke strandlijnen op vele plaatsen uren ver uit. Oude strandlijnen treft men aan vele kusten hoog boven den zeespiegel aan en leveren het bewijs, dat hier een negatieve niveauverandering heeft plaats gehad, d. w. z. dat er eenmaal de zeespiegel hooger of het land lager heeft gelegen.

Strandplanten noemt men gewassen, die bepaaldelijk aan de kust voorkomen, terwijl vele van deze ook onder den naam van zoutplanten in het binnenland in den omtrek van zoutgroeven gevonden worden. Daartoe behooren onderscheiden Chenopodiaceeën, inzonderheid de gsslachten Salsola en Salicomia, verder Glaux maritim, Plantago maritima, Triglochin maritimum, Aster trifolium, Artemisia maritima, Stalice Limonium, Eryngium maritimum, Juncus maritimus, Lepturus jüiformis, Crambe maritima, Cochlearia ofjicinalis, Ammophüa arenaria enz.

Strandrecht (Jus littoris) beteekent vooreerst de bevoegdheid om zich alles toe te eigenen, wat op het strand geworpen wordt, vervolgens het recht van den landheer op alles wat op het strand aanspoelt, en eindelijk het recht van den landheer of landsoverheid of van particulieren op een bepaald gedeelte van de op hun territoir aangespoelde of door hen geredde goederen. Bij het toenemen der maatschappelijke ontwikkeling is de overtuiging algemeen geworden, dat voor zoodanig strandrecht geen rechtsgrond bestaat. Art. 559 van ons Wetb. v. Kooph. zegt dan ook: Nimmer zal eenig strandrecht van gestrande of geredde schepen of goederen, hetzij Nederlandsche, hetzij vreemde, geheven worden. Alleen wordt voor de hulp, aan de uit den nood geredde schepen of goederen toegebracht, hulp- of bergloon betaald (zie aldaar).

Str andver dediging. Zie Zeeweringen.

Strandvonderij is de instelling, waarbij het beheer over aan het strand zich bevindende of uit zee aangespoelde goederen aan bepaalde, bij reglementen daartoe aangewezen ambtenaren is opgedragen. Volgens het Koninklijk besluit van 23Augustusl852, aangevuld door het Koninklijk besluit van 25 Maart 1854, is in ons land dat beheer toevertrouwd aan den burgemeester. Op het eiland Rottumeroog enindegemeente 's Gravenhage kan het worden opgedragen aan een bij Koninklijk besluit aan te stellen persoon, terwijl in gemeenten wier kom op eenigen afstand van de zee gelegen is of wier grondgebied zich ver langs het strand uitstrekt, op verlangen en op voordracht van den burgemeester een of meer strandvonders door den Commissaris der Koningin kunnen worden aangesteld, ten einde het beheer over gestrande schepen en goederen op zich te nemen, totdat de burgemeester op de plaats aanwezig is. De werkzaamheden van den burgemeester-strandvonder worden omschreven deels in dat Koninklijk besluit, deels in het Wetboek van Koophandel. Schepen en goederen, gered of geborgen in zee, moeten zoo spoedig mogelijk in handen van den strandvonder worden gesteld ter naaste plaatse waar de berging geschied is. Heeft de stranding of berging plaats aan de kust, dan geschiedt de redding of berging bij afwezigheid van den schipper, bevelhebber, eigenaar of geconsigneerde der goederen door of ten overstaan

XIV

van den strandvonder. Zijn de genoemde personen wel aanwezig, dan verleent de strandvonder desverlangd de noodige hulp en redding. De strandvonders moeten verder waken tegen het ontvreemden of verduisteren der onder hun beheer zijnde goederen. Bij schipbreuk moeten zij de werkzaamheid der reddingmaatschappijen ondersteunen. Ook dienen zij te zorgen, dat er geen grootere kosten gemaakt worden dan de goederen waard zijn. Blijkt het, dat de in beheer genomen goederen tot een vreemd schip behooren, dan moet van de stranding aanstonds bericht worden gegeven aan den naasten consul of consulairen ambtenaar der betrokken natie hier te lande. Onafhankelijk hiervan moeten zij van alle strandingen enz. en van het door hen daaromtrent verrichte, binnen 2 x 24 uren verslag doenaanden Commissaris der Koningin. Van de in hun handen gestelde goederen moeten zij een inventaris opmaken en ze moeten door advertentiën van de gedane berging kennis geven en belanghebbenden ter reclame oproepen. Komt er na vier van maand tot maand gedane oproepingen niemand op, dan wordt het goed, na kostelooze autorisatie van Gedeputeerde Staten, publiek verkocht en de opbrengst, na aftrek der bergloonen en onkosten, aan Gedeputeerde Staten verantwoord en provisioneel in de consignatiekas gestort. Binnen 10 jaren kunnen de rechthebbenden dan nog opkomen, waarna de opbrengst als vaceerend goed aan den Staat vervalt. Zijn de goederen aan bederf onderhevig of is de bewaring ontwijfelbaar strijdig met het belang van den eigenaar, dan kan de verkoop terstondgeschieden, zonder datdebovenvermeldetermijnenbehoeven te worden afgewacht. De burgemeester-strandvonder heeft voor zijn beheer aanspraak op het loon, hetwelk berekend wordt volgens in het koninklijk besluit vastgestelde regelen. Zie verder Bergloon.

Strang, William, een Engelsch schilder en etser, geboren den 13den Februari 1859 te Dumbarton, studeerde aan de academie aldaar en bij Legros te Londen, waar hij ook later bleef wonen. Hij etste ongeveer 500 gravures met godsdienstige en phantastische onderwerpen, tafereeltjes uit het volksleven, landschappen, portretten enz. Sommige cvclen daarvan zijn in boekvorm verschenen, zooals: „Death and the ploughman's wife"(1888), „The Earth Fiend"(1891) en „Rhyme of the ancient mariner" (1896). Verder vervaardigde hij illustraties bij „The pilgrim's progress" van Bunyan (1885), „The Christ on the hill" van Monkhouse (1895), „Paradise lost" van Milton, „Short Stories" van Kipling (1900) en „Don Quichote"(1902). In een villa te Wolverhampton schilderde hij 50 decoratieve tafereelen uit de geschiedenis van Adam en Eva.

Strang"ttrie of persing op het water noemt men een gedurig terugkeerenden of aanhoudenden drang tot urineloozing, waarbij deze laatste plaats heeft onder snijdende pijnen in de blaasstreek en zeer spaarzaam, vaak droppelsgewijs. Zij ontstaat door scherpheid der urine, veroorzaakt door het gebruiken van scherpe pisdrijvende middelen, van jong bier enz. Men moet haar beschouwen als een ontsteking van het slijmvlies van de blaas. Is die ontsteking gering, zoo kan men haar gewoonlijk wegnemen door het gebruik van veel lauw water, om zoo door verdunning de scherpheid der urine te verzachten. Is echter de kwaal van chronischen aard of door andere oorzaken ontstaan, dan raadplege men een geneesheer.

46

Sluiten