Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Congres te Weenen en bekleedde daarna gezantschapsposten te Washington en te Petersburg. In 1826 werd hij ambassadeur te Konstantinopel en was hier werkzaam tot vereffening der geschillen tusschen Turkije en Griekenland. Daar echter de Porte zijn voorstellen verwierp, verliet hij in 1827 Konstantinopel, ging het volgend jaar als buitengewoon gezant naar Griekenland, nam op do conferentie te Parijs deel aan de bepaling der grenzen van dit koninkrijk en keerde vervolgens naar Engeland terug. In October 1831 werd hij nogmaals tot gezant te Konstantinopel benoemd en bracht de onderhandelingen over de grenzen van Griekenland den 7den Mei 1832 ten einde. In 1833 was hij gezant te Portugal, in 1834 te Petersburg, en in 1841 vertrok hij weder als gezant naar Konstantinopel, waar hij zich gedurende 16 jaar beijverde, den invloed van Rusland in Turkije te bestrijden en tevens het overwicht van Frankrijk en Oostenrijk te beperken. Reeds in 1852 was hij met den titel van viscount de Redcliffe onder de Lords opgenomen, en toen hij in 1858 in Engeland terugkeerde, aanvaardde hij een zetel in het Hoogerhuis, waar hij veel invloed had. Hij schreef o. a. een bundel gedichten onder den titel „Shadows of the past"(1865), het theologische werk „Why am I a Christian?"(1873) en het tooneelstuk „Alfred the Great in Athelnay"(1876). Een bloemlezing uit zijn staatkundige opstellen verscheen onder den titel „Eastern question"(1881). Hij overleed den 14den Augustus 1880.

Stratford on Avon, een Engelsche stad, ligt in Warwickshire in een bekoorlijke omgeving aan den Avon, bezit een Latijnsche school (1482 gesticht), handel in graan en mout en telt (1901) 8310 inwoners. Stratford is vooral bekend als de plaats, waar Shakespeare geboren en overleden is. In 1847 werd zijn geboortehuis door de Shakespearevereeniging aangekocht. In 1905 is een door Carnegie aan de stad geschonken bibliotheek geopend. Het graf en een buste van Shakespeare bevinden zich in het koor van de Drievuldigheidskerk, voor het stadhuis verheft zich een standbeeld van den dichter, dat in 1769 door Garrick aan de stad geschonken werd. In het park treft men een ander standbeeld van hem aan. In 1879 is een afzonderlijk Shakespearegebouw met een schouwburg, een schilderijenzaal en een bibliotheek gesticht.

Strathnaire, Hugh Henry Rosé, lord, een Engelsch generaal, geboren te Berlijn in 1803, de zoon van den Britschen gezant aldaar, trad in 1820 in krijgsdienst en werd na het verwerven van den rang van luitenant-kolonel achtereenvolgens consulgeneraal in Syrië, gezantschapssecretaris te Konstantinopel en Britsch commissaris in het Fransche hoofdkwartier tijdens den Krimoorlog. Bij het uitbreken van den opstand in Indië verkreeg hij een zelfstandig commando en onderscheidde zich zoozeer, dat hij bij den terugkeer van lord Clyde naar Europa diens opvolger werd als opperbevelhebber der Britsche troepen in Indië, waar hij zich zeer verdienstelijk maakte met betrekking tot de reorganisatie van het leger. Van 1865—1870 was hij bevelhebber der Britsche troepen in Ierland, werd in 1866 tot pair en in 1877 tot veldmaarschalk verheven en overleed den 16den October 1885.

Stratificatie noemt men de ligging van doorgaans in water bezonken gesteenten in op elkander volgende lagen. *

Stratigrafie noemt men de leer van de aardlagen en van hun ligging. Zie Aardkunde.

Stratingh, Sibrandus Elzoo, een Nederlandsch geneeskundige, geboren in 1774, studeerde te Groningen, werd in 1813 professor-vicaris van den hoogleeraar Tuessink, in 1814 buitengewoon en in 1815 gewoon hoogleeraar in de geneeskunde, was gedurende 25 jaar achtereenvolgens lid, secretaris en voorzitter van de Commissie van Geneeskundig Toezicht, werd ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw, ontving in 1844 een eervol emeritaat en overleed den 16den Juni 1846.

Strating'h, Sibrandus, een Nederlandsch natuurkundige, geboren te Adorp den 9den April 1785, bezocht de Latijnsche school te Groningen, studeerde en promoveerde aldaar in de geneeskunde en werd benoemd tot essayeur bij het bureau van waarborg, welke betrekking hij tot 1829 bekleedde. Nadat hij eershalve den rang had verkregen van doctor in de wis- en natuurkunde, aanvaardde hij den 14aen Januari 1824 het ambt van hoogleeraar in de scheikunde aan de academie te Groningen en was er van 1831—1832 rector magnificus. Hij leverde een menigte wetenschappelijke opstellen in tijdschriften werd lid van een aantel geleerde genootschappen en ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw en overleed den 15aen Februari 1841. Van zijn talrijke geschriften vermelden wij: „Scheikundige verhandeling over eenige verbindingen van den phosforus" (1809), „Alexander te Groningen"(1819), „Scheikundig handboek voor essayeurs, goud-en zilversmeden" (1821), „Scheikundige verhandelingen over de cinchonine en quinine"(1823), „Scheikundige verhandeling over de morfine en andere hoofdbestanddeelen der opiums"(1823), „Beknopt overzicht over de leer der stoechiometrie"(1826) en „De chlorineverbindingen, beschouwd in haar scheikundige fabriekmatige, genees- en huishoudkundige betrekkingen".

Stratingh, Gozewinus Acker, een Nederlandsch archaeoloog, geboren te Adorp den 26sten Maart 1804, ontving zijn opleiding ten huize van zijn oom, den hoogleeraar Sibrandus Stratingh te Groningen, en studeerde aldaar in de wis- en natuurkunde. Bij herhaling werden zijn antwoorden op academische prijsvragen bekroond. Hij vestigde zich als geneesheer te Groningen, trok in 1830 als officier van gezondheid te velde, werd in 1850 eershalve tot doctor in de wis- en natuurkunde bevorderd, werkte mede tot de stichting van een provinciaal museum van oudheden te Groningen, gaf van 1842 tot 1865 onderwijs aan de landhuishoudkundige school te Haren, werd lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen en van vele andere geleerde genootschappen en overleed den 22Bten October 1876. Hij schreef o. a.: „Natuurlijke historie der provincie Groningen"(met dr. R. Westerhoff, 1839), „De bodem en de wateren van Nederland"(1847), „Aloude staat en geschiedenis des vaderlands"(3 dln., 1847— 1852), „Over den oorsprong van de munt en het wapen der stad Groningen"(1849), „De Dollard of geschied-, aardrijks- en natuurkundige beschrijving van dezen boezem der Eems"(met G. A. Venema, 1855), „Kronijken van Emo en Menko"(met mr. H. O. Feith, 1866), en een reeks opstellen in de „Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde, inzonderheid van de provincie Groningen", geredigeerd door dr. G. Acker Stratingh, mr. H. O. Feith en mr. VI'. B. T. Boeles (10 dln., 1864^1873)/

Sluiten