Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stratiotes aloïdes. Zie Sclieeren.

Stratonike, de dochter van Demetrius Poliorcetes en de gemalin van Seleukos Nicator, koning van Syrië, stichtte een prachtigen tempel ter eere van Zeus. Toon haar stiefzoon Antlochus Soior een onoverwinnelijke toegenegenheid voor haar aan den dag legde, stond Seleukos haar aan dezen af.

Stratosfeer. Zie Temperatuur der lucht,

Stratum, een gemeente in de provincie NoordBrabant 807 H. A, groot met (1909) 5204 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Eindhoven, Tongelre, Zes-Gehuchten, Aalst en Gestel c. a. In het W. vindt men een weinig klei, overigens bestaat de bodem uit diluviaal zand. De hoofdbezigheid is landbouw, verder wordt er eenige nijverheid uitgeoefend. Tot de gemeente behooren het dorp Stratum, de buurt Poeiers en de gehuchten Heihoeven en Roosten.

Het dorp Stratum ligt aan den weg van Eindhoven naar de Belgische grens.

Stratz, Rudolf, een Duitsch schrijver, geboren den 6den December 1864 te Heidelberg, studeerde te Leipzig, Göttingen en Berlijn, voornamelijk in de geschiedenis, was van 188B—1887 officier, deed daarna eenige groote reizen, en hield zich sedert 1890 uitsluitend met letterkundige werkzaamheden bezig. Van 1891 —1893 was hij tooneelcriticus aan de „Kreuzzeitung". Hij schreef eenige tooneelwerken, zooals: „Der blaue Brief"(1891), ,,Drohnen"(1895), „Der lange Preusze"(1897) en „Jörg Trugenhoffen" (1898), die weinig bijval vonden. Meer succes had hij met zijn romans en zijn novellen. Hiervan noemen wij: „Unter den Linden"(1893), ,,Dienst"(1895), „Arme Thea"(1897), „Berliner Höllenfahrt"(1896), „Der arme Konrad"(1898), „Die letzte Wahl"(1899), „Die törichte Jungfrau"(1901), „Gib mir die Hand" (1904), „Du bist die Ruh"(1905) en „Der du von dem Himmel bist"(1906). Zijn meest gelezen werken zijn: „Der weisze Tod"(1897), ,,Montblanc"(1899) en „Alt-Heidelberg, du feine"(1902).

Stratz, Carl Heinrich, een broeder van den voorgaande, een Duitsch-Nederlandsch geneeskundige, geboren in 1858 te Odessa, studeerde te Heidelberg, was van 1883—1886 adsistent aan de koninklijke universiteits-vrouwenkliniek te Berlijn, vertrok in 1887 als officier van gezondheid naar Nederlandsch-Indië, werd later stadsgeneesheer te Soerabaja, deed van 1891—1896 een aantal studiereizen door Indië, China, Japan, Amerika en Europa, slaagde in 1896 voor het Nederlandsche artsexamen en vestigde zich daarna als gynaekoloog te 's Gravenhage. Hij was de eerste, die in Nederlandsch-Indië groote operaties verrichtte. Van zijn werken noemen wij: „Allgemeine gynakologische und geburtshilfliche Diagnostik"(1887), „Krankheiten der Eierstöcke"(1893), „Gynakologische Anatomie"(2 dln., 1892—1894), „Die Frauen auf Java"(1897), „Die Schönheit des weiblichen Körpers"(1898), „Der geschlechtsreife Saugetiereierstock"(1898), „Die Frauenkleidung"(1900), „Die Rassenschönheit des \Veibes"(1901), „Die Körperformen in Kunst und Leben der Japaner"(1902), „Der Körper des Kindes" (1903), „Naturgeschichte des Menschen"(1904) en „Die Körperpflege der Frau", waarvan de meeste een aantal herdrukken beleefden. Verder schreef hij een aantal kleinere artikelen en verhandelingen en met Schröder, Hofmeier en Ruge „Der schwangere und kreiszende Uterus"(1886).

Straubing-, een stad in het Beiersche distrikt Neder-Beieren, ligt op den rechter oever van de Donau, aan eenige spoorwegen, in een vruchtbare streek. Zij is de zetel van eenige rechtbanken en telt (1905) 20 856 inwoners. Men vindt er een fraai marktplein met de Drievuldigheidszuil, 8 Katholieke kerken, 1 Protestantsche kerk, een slot, een gymnasium, een hoogere burgerschool, een kweekschool van onderwijzers, een doofstommeninstituut, een bisschoppelijk seminarium, een inrichting voor idioten, drie armenhuizen, een weeshuis, twee monnikenkloosters en even zooveel nonnenkloosters enz. Er zijn brouwerijen, looierijen, tegel-, kalk- en cementfabrieken en handel.

Strausz, Johann, een Oostenrijksch componist, geboren te Weenen den 14del1 Maart 1804, behoorde eerst tot het orkest van Lanner en vormde in 1824 zelf een orkest, dat weldra zeer populair werd. Later deed hij daarmede kunstreizen en oogstte een buitengewonen bijval. Hij overleed den 26sten September 1849 te Weenen als hofbalmuziekdirecteur. Hij liet 249 compositiën na. Een volledige uitgave van zijn dansen bewerkt voor piano, gaven Breitkopf en Hartel in het licht. In 1905 werd voor hem in het Raadhuispark te Weenen, gemeenschappelijk met Joseph Lanner, een standbeeld opgericht.

Strausz, Johann, een zoon van den voorgaande, geboren den 25sten October 1825, kwam na den dood van zijn vader aan het hoofd van diens orkest, waarmee hij verschillende kunstreizen deed. Hij stond het orkest in 1863 aan zijn broeder af en wijdde zich uitsluitend aan de compositie. Zijn walsen, zooals „An der schonen blauen Donau", „Künstlerleben", „Wienerblut", verwierven een nog grootere populariteit dan die van zijn vader. Ook zijn operettes verwierven overal bijval. Hiervan noemen wij: „Indigo" (1871), „Die Fledermaus"(1874), ,,Cagliostro"(1875), „Prinz Methusalem"(1877), „Der lustige Krieg" (1881), „Der Zigeunerbaron"(1885), „Simplicius" (1887), „Ritter Pasman"(1892), „Waldmiester" (1895) en „Die Göttin der Vernunft"(1897). Hij overleed den 3deo Juni 1899 te Weenen.

Ook zijn broeders Jozef Strausz (1827—1870), die in 1863 het orkest van zijn broeder overnam, en Eduard Strausz (geboren in 1835), die in 1870 de leiding van het orkest op zich nam, componeerden, evenals Johann Strausz jr. (geboren 1866), de zoon van Eduard, een aantal dansen.

Strausz, David Friedrich, een Duitsch critisch godgeleerde, geboren den 27Bten Januari 1808 te Ludwigsburg in Würtemberg, ontving zijn opleiding aan de theologische seminaria te Blaubeuren en te Tübingen, werd in 1830 vicaris, in 1831 plaatsvervangend hoogleeraar aan het seminarium te Maulbronn, maar vertrok weldra naar Berlijn, om de lessen van Hegel en Schleiermacher bij te wonen. In 1832 werd hij repetitor aan het seminarium te Tübingen en hield tevens voorlezingen aan de universteit. Weldra maakte zijn geschrift: „Das Leben Jesu, kritisch bearbeitet"(2 dln., 1835, 4de druk, 1840) een verbazende opschudding. Hij ging van het denkbeeld uit, dat een critisch-wetenschappelijke behandeling van de Evangeliën noodig was, en kwam tot het resultaat, dat de Evangeliën in den oer-Christelijken tijd door een onbewuste mythenvorming, naar aanleiding van de Oudtestamentische Messiasideeën, ontstaan waren. Dit werk deed een stroom van tegenschriften ontstaan. De antwoorden van Strausz wer-

Sluiten