Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(I), den zoon van Maria Stuart, ook de kroon van Engeland verkreeg. Van een zijtak der Stuarts zijn de graven van Lennox afkomstig, die wegens het huwelijk van Matthias Stuart, graaf vanLoennox, met Margaretha Douglas een dochter van koning Hendrik VII van Engeland, eveneens aanspraak maakten op den Engelschen troon. Een zoon uit dit huwelijk was Henry Damley, de gemaal van Maria Stuart en de vader van Jacobus I van Engeland. Toen later met diens kleinzoon Jacobus II de mannelijke lijn der Stuarts in 1688 uit Engeland verdreven was, kwamen de vrouwelijke afstammelingen aan het bewind. Vruchtelooze pogingen den troon te herwinnen werden aangewend door prins Jacobus Eduard, die zich Jacobus III noemde en in 1766 overleed, en door zijn oudsten zoon Karei Eduard,die na den slag bij Culloden (1746) als graaf van Albany in Italië woonde en den 318ten Januari 1788 te Rome kinderloos overleed. Zijn eenige broeder, Henry Benedict, die in 1747 den kardinaalshoed verkreeg, woonde te Venetië, ontving een jaargeld van het Britsche Hof en overleed den 13den Juli 1807 te Frascati, nadat hij zijn rechten op den Britschen troon had overgedragen op Carlo Emanuéle IV, koning van Sardinië. Zijn familiepapieren werden door de Britsche regeering in het licht gegeven („Stuart papers", 1847). Van de zijlijnen der familie Stuart leven nog vele afstammelingen in Schotland, Engeland en Ierland.

Stuart, Maria, zie Maria Stuart.

Stuart, Martinus, een Nederlandsch geschiedschrijver, geboren te Rotterdam in 1765, werd in 1787 Remonstrantsch predikant te Dokkum, in 1790 te Utrecht en in 1793 te Amsterdam en overleed aldaar den 22sten November 1826. Hij werd door koning Lodewijk tot 's lands historieschrijver benoemd. Behalve leerredenen schreef hij: „Herinneringen uit de lessen van Fr. J. Gall over de hersenen" (1804), „De mensch zooals hij voorkomt op den bekenden aardbol", afgebeeld door J. Kuyper, (6 dln., 1806), „Romeinsche geschiedenis" (30 dln., 1811), nieuwe druk, 20 dln., 1820), „Romeinsche geschiedenis, verkort door Y. van Hamelsveld" (4 dln., 1806), „Tafereelen van de Staatsomwenteling in Frankrijk" (26 dln., 1809), „Vaderlandsche Historie van 1752 tot 1784" (4 dln., 1826) en „Jaarboeken van het koningrijk der Nederlanden van 1814 tot 1822" (10 stukken, 1826).

Stuart, John Mac Donall, een Schotsch ontdekkingsreiziger, geboren in Schotland den 7den September 1815, vergezelde van 1844—1846 Sturt op een expeditie naar Australië en bezocht in 1858, door slechts één reisgenoot vergezeld, een groot gedeelte van het zuidwesten van genoemd werelddeel. In 1859 ondernam hij twee nieuwe ontdekkingsreizen in den omtrek van het Torrensmeer, deed in 1860 een poging om uit het zuiden van dat land tot het noorden door te dringen en bereikte in 1861 voor de tweede maal den 17clea breedtegraad (Z.Br). In het daarop volgende jaar volbracht hij een tocht dwars door Australië en bereikte de noordkust bij Arnhemsland. Hij gaf verslag van zijn ontdekkingen in zijn „Explorations in Australia" (2de druk, 1864) en overleed te Nottingham Hill den 5den Juni 1866.

Stuart, Martinus Cohen,geboren te 's-Gravenhage den 238tel1 Januari 1824, werd Remonstrantsch predikant te Zevenhuizen, Alkmaar, Utrecht en Rotterdam en nam in 1873 zijn ontslag. Hij was officier van de orde der Eikenkroon, lid van de Leidsche

Maatschappij van de Nederlandsche letterkunde en overleed den 12den December 1878. Van zijn talrijke geschriften vermelden wij: „De Verloren Zoon" (1860), „Gedenkboek der Evangelische Alliantie" (1874), „Zes maanden in Amerika" (1874—1875), „Ter gedachtenis. Twaalftal nagelaten leerredenen" (1879), benevens Ulrijke bijdragen in jaarboekjes en tijdschriften.

Stuart, Coenraad Alexander Verrijn, een Nederlandsch statisticus en staathuishoudkundige, werd den 22sten December 1865 te Weesp geboren, kwam echter op 9 jarigen leeftijd naar Amsterdam, bezocht er lagere school en gymnasium en werd in 1883 student aan de universiteit, waar hij den 17den November 1890 promoveerde tot doctor in de staatswetenschap op een proefschrift getiteld: „Ricardo en Marx, een dogmatischhistorische studie" en tot doctor in de rechtswetenschap op stellingen. Van 1891 tot 1892 was hij leeraar aan de Openbare Handelsschool en tevens waarnemend directeur van het Statistisch Instituutende Vereeniging voor de statistiek, van welke hij reeds sedert 1889 secretaris was. In 1892 werd hij secretaris van de door het rijk ingestelde „Centrale Commissie" en na de reorganisatie in 1899 directeur van het „Centraal Bureau voor de Statistiek", tevens lid der „Centrale commissie". In Juli 1906 volgde zijn benoeming tot hoogleeraar aan de Technische Hoogeschool te Delft, waar hij aanvankelijk handelsrecht en staathuishoudkunde en vervolgens administratief recht (arbeids- en fabriekswetgeving) doceerde. In 1907 werd hij voorzitter van de „Centrale Commissie" en tevens secretaris van het „Institut international de statistique", dat in verband met deze benoeming, in Nederland gevestigd werd. In December 1908 werd hij benoemd tot hoogleeraar in de encyclopaedie der rechtswetenschap, de staathuishoudkunde en de statistiek aan de rijksuniversiteit te Groningen. Sedert de vestiging in 1891 was hij lid van de staatscommissie voor de handelspolitiek. Hij is ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw, officier de 1'Instruction publique, eerelid van de „Royal Statistical Society" en van verschillende andere binnen- en buitenlandsche genootschappen. Hij werkte mede aan verschillende binnen en buitenlandsche tijdschrifen, zooals „Zeitschrift fürSozialwissenschaft", „Vragen des tijds", „Bijdragen van het Statistisch Instituut" enz. Sedert 1896 is hij redacteur-secretaris van „De Economist". In afzonderlijke uitgaven zagen van hem het licht: „De wetenschap der staathuishoudkunde en de praktijk van het economische leven"(1906), „Economische prolegomena"(1909) en „Inleiding tot de beoefening der statistiek"(dl. I, 1910).

Stuart, Abraham Benjamin Cohen. Zie Cohen Stuart.

Stubai, een hoog Alpendal in Tirol in het distrikt Innsbrück, loopt over een lengte van 40 km. van den hoofdkam van de Stubaier Alpen in noordnoord-oostelijke richting tot het Wipptal bij Schönberg. De Ruzbach, een zijrivier van de Sill, stroomt er doorheen. De bewoners, 4195 in getal, houden zich bezig met veeteelt, houtbewerking, ijzer- en staalfabricage.

Stubaier Alpen, een groep van de Raetische Alpen, vormt de noord-oostelijke voortzetting van de Oetztaler Alpen en wordt begrensd door de Inn, de Sill, de Eisack, het Jaufen-, Walten-, Passeier-

Sluiten