Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stuers,"Victor Eugène Louis de, een Nederlandsch kunstkenner, geboren te Maastricht den 20sten October 1843, studeerde en promoveerde te Leiden in de rechten, was achtereenvolgens advocaat bij den Hoogen Raad, secretaris en lid van de Commissie van Rijksadviseurs voor de monumenten van Geschiedenis en Kunst en referendaris en chef der afd \ling voor ku; sten en wetenschappen aan het departement van BirmenlandscheZakente's-Gravenhage. In 1901 werd hij gekozeu tot lid van de Twede Kamer der Staten-Generaal. Hij schreef van 1867 af onderscheiden artikelen in dagbladen over kunst, kunstgeschiedenis en kunstvoortbrengselen, vooral ook inden„Gids",den„Spectator",de„Kunstkronijk" en den „Kunstbode", verder een met de gouden medaille bekroond antwoord op een prijsvraag der Groningsche Hoogeschool: „De verhouding der volksvertegenwoordigers tot hunne kiezers" (1869), een „Notice historique et description du Musée royal de la Haye" (1874), waaraan een „Beknopte beschrijving van de kunstvoorwerpen, tentoongesteld in het Koninklijk Kabinet van schilderijen" (1875) ontleend werd, „Het Binnenhof en 's lands gebouwen in de residentie" (l8te en 2de druk, 1891) en verschillende brochures, meest van polemischen aard.

Stuffken, Jan Hendrik, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Amsterdam den 14aen Mei 1801, studeerde aan het athenaeum aldaar en vervolgens aan de academie te Leiden, promoveerde er i i 1878 in de theologie op een dissertatie: „De Theodosii Magni in rem Christianam meritis" en werd in datzelfde jaar predikant te Haaf ten. In 1840 zag hij zijn antwoord op een prijsvraag door Teylers Genootschap met goud bekroond en den 16den Maart 1846 aanvaardde hij een professoraat in de philosofie te Leiden met een redevoering: „De eo quod in Academia spectat studium philosophiae". Van 1858—1859 was hij rector magnificus. Hij overleed te Arnhem den 9den Mei 1881. Van zijn geschriften noemen wij: „Verhandeling over de Kerkelijke Overlevering, uitgegeven door Teylers Godgeleerd Genootschap" (1840), „Het gezag der Apostelen, volgens de eerste Christenleeraars" (1844), „Bedeiüringen tegen art. 86 alinea 2 van het Ontwerp van gewijzigde Grondwet" (1848), „De herziening van het Reglement op het Bestuur der Kerken enz. bij de Hervormden te Leiden, toegelicht en verdedigd" (1860),,,Brief aan mr. W. A. Boeles, naar aanleiding van zijn verhandeling, getiteld: „Scheiding van Kerk en Staat" en „Iets over het ontwerp van besluit ter voorloopige organisatie der Nederlandsche Hervormde Kerk ten aanzien van het beheer der Kerkelijke goederen en fondsen en van het toezicht daarop".'

Stuhlmann, Franz, een Duitsch dierkundige en reiziger, geboren den 29sten October 1863 te Hamburg, studeerde te Tübingen en te Freiburg, ontving in 1888 van de Berlijnsche Academie van Wetenschappen een ondersteuning voor een reis naar Oost-Afrika, waar hij zoölogische studiën deed, en trad bij den opstand van de Arabieren als officier bij de Duitsche troepen in dienst. Hij werd den 4den Januari 1890 bij Ablembule zwaar gewond en vergezelde na zijn herstel Emin-Pasja op zijn tocht in het binnenland. Li 1891 zond Emin-Pasja hem naar het Victoriameer, daarna begaf Stuhlmann zich naar de kust en bereikte den 12den Juli 1892

Bagamoyo met vele kartografische opnamen en rijke verzamelingen. Na een kort verblijf in Duitschland vertrok hij in 1893 nogmaals naar Oost-Afrika voor kartografische opnamen, werd afdeelingschef voor de cultures en opmetingen te Dar es Salam en in 1903 directeur van het biologisch-landbouwkundig instituut te Amani. Hij schreef: „Zoologische Ergebnisse einer in die Küstengebiete von Ostafrika unternommenen Reise" (dl. 1, 1893) en „Mit Emin Pascha ins Herz von Afrika" (1894).

Stuhlweiszenburg', een koninklijke vrijstad in Hongarije, de hoofdplaats van het comitaat Weiszenburg, ligt in een moerassige omgeving aan een aantal spoorwegen en bezit een dom, een bisschoppelijk residentiepaleis, 3 kloosters, een seminarie en kerk, 2 synagoges, een nieuwen schouwburg, kazernes, een nieuw paleis van Justitie, een standbeeld van den dichter Vörösmarty en (1901) 32167 meest Magyaarsche inwoners. Er is een gymnasium, een seminarium voor priesters, een hoogere burgerschool, een handelsacademie, een rijksverbeteringinrichting, een militair-hengstendepöt enz. De stad is de zetel van een bisschop, een domkapittel, een gerechtshof en een directie van financiën. De inwoners houden zich bezig met nijverheid en handel.

Li den tijd van de Romeinen verhief zich hier de stad Herculia. Stephanus de Heilige verleende haar het kroningsvoorrecht, en na dien tijd was zij de residentie en begraafplaats der Hongaarsche koningen, totdat Bela IV zijn zetel overbracht naar Ofen. In 1543 viel de stad bij capitulatie in handen der Turken, doch kwam in het begin der 17de eeuw nogmaals in het bezit der keizerlijken, die er na korten tijd weder voor de Turken plaats ruimden, om haar eerst in 1688 te heroveren.

Stuiflawine. Zie Lawine.

Stuifmeel {-pollen) noemt men de uit zeer kleine korreltjes bestaande meelachtige massa in de helmknopjes van de phanerogame planten, die de bestuiving (zie aldaar) bewerkt. Het doet zich veelal voor als een geel poeder, welks korreltjes eigenlijk blaasjes zijn. Bij de meeste planten zijn de afzonderlijke korreltjes vrij, doch bij sommige, bijv. bij eenige Orchideeën en Asclepiadeeën, tot een klompje vereenigd. Het korreltje bestaat gewoonlijk uit een buitenvliesje (cuticula externa) of de exine, een binnenvliesje (c. interna) of de intine en den inhoud (jovilla). De exine heeft steeds een of meer openingen waardoor het binnenvliesje naar buiten dringt, om de stuifmeelbuizen te vormen, zoodra de inhoud van de stuifmeelkorrel door het kleverig vocht van den stempel opzwelt.

Stuifzwam (Lycoperdon bovista). Zie Bovist.

Stuipen (convulsiones, eclampsia) zijn clonische spiersamentrekkingen van algemeenen of plaatselijken aard, waarbij het bewustzijn min of meer wordt opgeheven. Men ziet ze bi] kinderen, bij zwangere en nog meer bij barende vrouwen en bij vergiftiging (inzonderheid door loodwit). Niet zelden zijn zij een uiting van vallende ziekte (zie Epilepsie). Veelvuldig komen zij voor bij jonge kinderen. Daarbij slaapt het kind met half gesloten oogen en naar boven gerichte oogappels, terwijl de gelaatspieren zich samentrekken, zoodat het schijnt te lachen. De ademhaling is snel en onregelmatig, door de ledematen gaan lichte trekkingen, de handjes zijn gebald met naar binnen geslagen duimen en de beentjes opgetrokken. Verschrikt, schreiend en steunend ontwaakt het uit

Sluiten