Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een sluimering. Die stuipen bij kinderen zijn vaak onschuldig, want gewoonlijk ontstaan zij door een prikkeling der hersens als gevolg van koorts, voedingsstoornissen of andere oorzaken. Alleen wanneer zij zeer snel terugkeeren moet men denken aan een ziekteproces in de hersens, en ook kunnen zij bij voortdurende recidieve de uiting zijn eener echte epilepsie. Op zich zelf zijn die kinderstuipen niet ernstig, toch ontdoe men bij zulk een aanval liet kind van alle knellende banden en kleederen, besprenkele de borst met koud water om een diepe inademing op te wekken en legge zuurdeeg aan de kuiten en koudwatercompressen aan het hoofd. Stuipen bij zwangere of barende vrouwen brengen het leven van moeder en kind in groot gevaar, doch komen niet dikwijls voor. Zelden worden zij waargenomen vóór de zesde maand, doch zij vertoonen zich meestal bij de verlossing. De voornaamste verschijnselen zijn weer als bij de echte epilepsie: bewusteloosheid, tonische en clonische samentrekkingen der spieren, blauwzucht, luide, rochelende ademhaling, schuim op den mond en een snelle pols. Stuipen ten gevolge van loodvergiftiging zijn zeer zeldzaam en worden slechts opgemerkt bij personen, die reeds geruimen tijd aan andere verschijnselen van loodvergiftiging geleden hebben.De aanvallen gelijken op die van vallende ziekte, maar herhalen zich vaker en veroorzaken in den regel den dood door verstikking of beroerte.

Stuit noemt men het laagste of achterste gedeelte van den romp van gewervelde dieren. Zie ook Stuitbeen.

Stuitbeen (Os coccygis, Coccygeum) of Staartheeri) noemt men het eindstuk van de wervelkolom. Bij gestaarte werveldieren bestaat het dikwijls uit een aantal bewegelijke wervels, bij den mensch zijn 4, soms 5 wervels tot het stuitbeen vergroeid. Deze wervels, in de anatomie valsche wervels (vertébraespuriales) geheeten, hebben geen dorsalen boog, zoodat het ruggenmerg vrij ligt. Bij het embryo is het stuitbeen niet naar binnen, doch naar buiten gekromd, zoodat er een staartje gevormd wordt, dat later verdwijnt. In abnormale gevallen blijft deze afwijking ook later bestaan.

Stuiver is de naam van een Nederlandsch geldstuk. De oude stuiver had een waarde van 8 duiten, tegenwoordig is de waarde gelijk aan het twintigste deel van een gulden. Sinds eenige jaren zijn de kleine zilveren stuivertjes door nikkelen muntstukken vervangen.

Stukadoorwerk (Stucco) noemt men de uit gips, kalk of zand vervaardigde, eerst weeke en gemakkelijk vormbare, later hard wordende massa, die voor het bedekken van muurwerk en hout en voor allerlei versierselen aan het inwendige of uitwendige van gebouwen gebruikt wordt. De massa wordt week opgelegd; wanneer zij hard geworden is, wordt het ornament gemodelleerd en later nagewerkt. Ook wordt het ornament wel afzonderlijk gemaakt, dikwijls gegoten met behulp van lijmvormen, die gemakkelijk verwijderd kunnen worden, en daarna aan het gebouw bevestigd. Reeds de Grieken bedienden zich bij den bouw van hun tempels van een soort stukadoorwerk en de Egyptenaren gebruikten het voor de ornamentiek. De Romeinen maakten er veel gebruik van als wandbekleeding, die dan beschilderd en verguld werd. Later ging deze kunst verloren; zij werd eerst in de 14de eeuw in Italië weder ontdekt en kwam toen

tot een hooge volkomenheid. De grootste uitbreiding kreeg zij echter in het rococo- en in het baroktijdperk, daarna werd er minder gebruik van gemaakt, in onze dagen echter wordt zij weder zeer veel toegepast..

Stiller, Friedrich August, een Duitsch bouwkundige, geboren den 288ten Januari 1800 te Mülilhausen in Thuringen, studeerde te Berlijn onder leiding van Schinkel, reisde in 1829 en 1830 in Frankrijk en Italië en trad in dienst van den koning van Pruisen. Hij leverde o. a. ontwerpen voor een nieuw raadhuis te Perleberg, voor den opbouw van het AVinterpaleis te Petersburg, voor de kasteelen te Boitzenburg, Basedow, Arendsee en Dahvitz, voor de R. Katholieke kerk te Rheda, voor hetnieuwe museum te Berlijn, voor den koepel op den triomfboog van het koninklijk slot, voor de Beurs te Frankfort aan den Main, voor onderscheiden kerken te Berlijn en te Potsdam, voor den aanleg der tuinen van Sanssouci, voor de voltooiing van het kasteel van den groot-hertog te Schwerin, voor het universiteitsgebouw te Koningsbergen, voor het nationaal museum te Stokholm en voor het academie-gebouw te Pest. Ook leverde hij een groot aantal decoratieve teekeningen voor gietwerk, porseleinen vazen, zilverwerk enz. Hij overleed den 18den Maart 1865 te Berlijn als opperbouwraad en lid der opperbouwdirectie.

Stulpkorf. Zie Visclituigen.

Stumpf, Karl, een Duitsch philosoof, geboren den 21sten April 1848 te Wiesentheid, studeerde te Würzburg aanvankelijk in de Katholieke theologie, vervolgens, op aansporing van Franz Brentano, in de wijsbegeerte en te Göttingen in de natuurkundige wetenschappen. Hij vestigde zich in 1870 in laatstgenoemde plaats als privaat-docent, werd in 1873 gewoon hoogleeraar in de wijsbegeerte te Würzburg, in 1879 te Praag, in 1884 te Halle, in 1889 te Miinchen en in 1894 te Berlijn. Van zijn werken noemen wij: „Über das Verhaltnis des Platonischen Gottes zur Idee des Guten" (1869), „Über den psychologischen Ursprung der Raumvorstellung" (1873), „Tonpsychologie" (2 dln., 1883—1890), „Geschichte des Konsonanzbegriffes" (1897), „Die pseudoaristotelischen Probleme über Musik" (1897), „Psychologie und Erkenntnisstheorie" (1891), „Leib und Seele" en „Der Entwickelungsgedanke in der gegenwartigen Philosophie" (2de druk, 1903). Sedert 1900 geeft hii „Beitrage zur Akustik der Musikwissenschaft" uit.

Stumpf-Brentano, Karl Friedrich, een Duitsch geschiedkundige, geboren den 13del1 Augustus 1829 te Weenen, ontving zijn opvoeding in het Piaristenconvict te Totis bij Komorn, studeerde te Olmütz in de rechten en in de geschiedenis, kreeg een aanstelling aan het gymnasium aldaar, legde zich daarna te Weenen op geschiedkundige nasporingen toe en werd amanuensis aan de universiteitsbibliotheek aldaar. Van 1854—1856 woonde hij te Berlijn en vertrok daarna naar Frankfort, waar hij op aansporing van Böhmer zich toelegde op de oorkondenstudie. Van 1857—1858 was hij hoogleeraar in de geschiedenis aan de universiteit te Boedapest, deed daarna verschillende reizen en werd in 1861 hoogleeraar te Innsbrück. Hij overleed den 12dea Januari 1882. Hij was o.a. lid van de centrale directie van de „Monumenta Germaniae" Zijn belangrijkste werk: „Die Reichskanzler, vornehmlich des

Sluiten