Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezant aan het Russische Hof en door Frederik11 bij het aanvaarden van zijn regeering naar Berlijn geroepen, doch overleed op de reis daarheen te Warschau den 8sten November 1840.

Snhm, Peter Frederik, een Deensch geschiedschrijver, geboren te Kopenhagen den 18den October 1728, genoot een uitmuntende opvoeding en legde zich vooral toe op de oude letteren. In 1 (51 vertrok hij naar Noorwegen en woonde tot 1765 te Drontheim, om met Schöning de oude geschiedenis van Noorwegen na te vorschen. Daarop keerde hij naar Kopenhagen terug en hield zich met letterkundigen arbeid bezig tot aan zijn dood, den 4den September 1798. Zijn bibliotheek stond hij tegen een lijfrente af aan de Koninklijke Bibliotheek. Tot zijn belangrijkste geschriften beliooren: „Oordeelkundige geschiedenis van Denemarken in het Heidensche tijdperk", „Geschiedenis derNoorschevolksverhuizing", „De oorsprong der volkeren" en vooral zijn „Geschiedenis van Denemarken"(14 dln., 1782—1828) loopend tot 1400 en gedeeltelijk eerst na zijn dood verschenen.

Suidas, een Grieksch taalkundige, geboren omstreeks 970 n. Chr., vervaardigde een „Lexicon", bijeengebracht uit oudere woordenboeken, scholiën en taalkundige geschriften, waarin niet alleen woordverklaringen voorkomen, maar ook ophelderingen omtrent zaken, benevens biographische bijzonderheden van de schrijvers der Oudheid. De beste uitgaven zijn die van Gaisford (3 dln., 1834), Bernhardy (2 dln., 1834—1853) en Bekker (1854).

Suiker. Zie Suikers.

Suikerahorn. Zie Acer.

Suikerbiet (Beta vulgaris var. Rapa. Dumort; zie de plaat bij Suikerriet), een wortelgewas uit de familie der Chenopodiaceeën, is gekweekt uit den mangelwortel, die op zijn beurt afstamt van een vorm, die in het wild voorkomt langs de kusten van het westelijk gedeelte der Middellandsche zee en op de Canarische eilanden. In 1747 werd door den Berlijnschen apotheker Marggraf in den mangelwortel een suikersoort ontdekt van dezelfde samenstelling als de rietsuiker. Omstreeks 50 jaren later gelukte het zijn leerling Achard, uit de biet een behoorlijke hoeveelheid suiker te bereiden en in 1801 werd door dezen de eerste suikerfabriek opgericht te Cunern in Silezië. Met de invoering van het Continentaalstelsel ten tijde van Na-poleon kwam de bietsuikerfabricage tijdelijk tot bloei; met den val van Napoleon ging ze echter weer kwijnen. De rechte bloei kwam eerst met het einde der jaren 1830—'40 ten gevolge van schitterende uitvindingen in het fabriekswezen en van buitengewone resultaten in de veredeling der suikerbiet.

De plant is tweejarig; ze vormt in het eerste jaar den dikken, sappigen, vleezigen wortel, waarop haar waarde voor de cultuur bemst en in het tweede den uit dien wortel ontspruitenden bloesem- en vruchtdragonden stengel. De wortel kan in ons klimaat in het vrije veld de vorst niet doorstaan en moet derhalve voor de productie van zaad in den herfst worden gedolven, in den winter worden bewaard en in het volgende voorjaar weer worden uitgeplant. De rechtopstaande, vertakte stengel kan tot omstreeks 1,5 m. hoog worden. De wortelstandige bladeren zijn driehoekig, hart- of eivormig en van afloopenden voet voorzien; de stengelbladeren zijn smallancetvormig. De bloemen staan 3-6 bijeen in dichte klu¬

wens aan in bladoksels ontspruitende, eindelingsclie aren.Kroonbladeren ontbreken ;de vrucht is door den vijf deeligen, gezwollenen, vleezigen kelk omsloten en daarmede vergroeid. Elke bloem brengt slechts één vrucht met één zaad voort; elke vrucht kluwen kan er echter 2-5, zelfs 6 bevatten; 100 kluwens of korrels bevatten gemiddeld omstreeks 150 kiembare zaden.

Aan de biet worden onderscheiden: de kop, het gedeelte, waarop de bladeren zijn of waren ingeplant; de hals, waaraan noch bladeren of bladsporen noch zij wortels; en het eigenlijke worteldeel, waarop in twee diametraal tegenover elkaar staande, eenigszins spiraalsgewijze verloopende lijnen wortelvezels zijn ingeplant. De biet bevat gemiddeld omstreeks 15-17 % suiker en 2-2,5 %niet-suiker, d. w. z. naast de suiker voorkomende deelen van de droge stof. Het zuiverheids-quotiënt, verkregen door deeling van het gehalte aan droge stof op het suikergehalte, vermenigvuldigd met 100, moet bij voorkeur zoo hoog mogelijk zijn, bijv. 90%. Dit is het geval bij een hoog suiker-, gepaard met een laag niet-suiker gehalte. In het algemeen is die bietensoort de voordeeligste, welke bij een hoog suikergehalte de grootste hoeveelheid suiker per H.A. produceert. Welke de beste variëteit is, moet voor elke grondsoort en landstreek door vergelijkende proeven worden uitgemaakt.

De suikerbiet gedijt het best in de gematigde luchtstreek. De cultuur is loonend tot omstreeks 55° N. Br.; ook in Zuid-Europa: Spanje en Italië, wordt de biet verbouwd, maar met minder groot succes. In streken met een vastlandsklimaat lijdt de

biet in den regel aan te groote droogte, maar kan ze bij bevloeiing met goede resultaten worden verbouwd. Zavelige of zandige kleigronden met een hoog humus- en kalkgehalte en een diepe bouwvoor zijn voor haar cultuur het meest geschikt. Ook zwaardere gronden kunnen daarvoor dienen, als ze door cultuur hun ongunstige eigenschappen grootendeels hebben verloren. Lemige zand- en veenkoloniale gronden hebben voor den bietenbouw middelmatige geschiktheid. De grond moet in goeden bemestingstoestand verkeeren en, als dit niet het geval is, van het noodige plantenvoedsel worden voorzien. Op lichte gronden kan daarvoor zeer goed stalmest worden gebruikt; overigens zijn phosphorzuur- en stikstofmeststoffen en op de lichtste gronden ook kali-meststoffen de meest aangewezene. In de keuze der voorvrucht is men in den regel niet angstvallig. Het meest worden de bieten na granen verbouwd. Na bieten volgt in Zeeland dikwijls wintertarwe; in het noorden des lands volgen meest zomertarwe, haver of erwten.

De grond moet zooveel mogelijk vrij van onkruid zijn en in den voorafgaanden herfst bij voorkeur diep bewerkt zijn. In het voorjaar wordt het bietenzaad in den vooraf met behulp van egge en rol fijn verkruimelden grond bij voorkeur ondiep gezaaid. De beste zaaitijd is de tweede helft van April. Te vroeg zaaien bevordert het gevaar voor onkruiden, voor nachtvorsten en voor doorschieters; te laat zaaien brengt een geringere opbrengst en een lager suikergehalte. In het algemeen wordt het bietenzaad met de machine gezaaid in rijen op onderlinge afstanden van 30—36 cm. in een hoeveelheid van 15—20 kg. per H.A. Ter bevordering van een goeden, regelmatigen stand verdient het de voorkeur, de hoeveelheid zaaizaad betrekkelijk ruim te nemen.

Sluiten