Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoodra mogelijk na het opkomen dienen de bieten te worden geschoffeld of gehakt, gedund en op één gezet. Verder moeten ze gedurende den groei zorgvuldig worden geschoffeld of gehakt, ten einde den bodem goed los en behoorlijk zuiver van onkruid te houden. Tegen den herfst loopt de groei ten einde en neemt het suikergehalte ras toe. De bladeren nemen een lichtere tint aan en worden hier en daar geelachtig. Zoodra bij het onderzoek van monsters bieten door middel van polarisatie gebleken is, dat het suikergehalte tot omstreeks 13 % is gestegen, wordt met het rooien begonnen. Dit is in den regel het geval omstreeks of kort na het midden van de maand September. Het rooien geschiedt in den regel met een bietenspade of -greep. Bietenrooimachines hebben tot heden weinig toepassing gevonden. Na het rooien worden de bieten zoo goed mogelijk schoongeklopt en van de koppen met het loof ontdaan. Daarna worden ze tijdelijk in licht bedekte hoopen op het land of nabij een vaarwater bewaard of direct naar de fabriek getransporteerd. Met het oog op de eventueel invallende vorst moet het rooien omstreeks het midden van November afgeloopen zijn en dienen de bieten daarna zoodra mogelijk naar de fabriek te worden vervoerd. Gedurende de bewaring mogen de bieten niet broeien en niet bevriezen. Bij het broeien en bij het ontdooien na de bevriezing gaat het suikergehalte min of meer achteruit. Bevroren bieten moeten daarom zoodra mogelijk in de fabriek worden verwerkt. De koppen met het loof worden meestal naar de boerderij gereden om daar te worden geënsileerd en des winters aan het vee te worden vervoederd, of ze blijven op het land voor

groenDemesting.

ue opDrengst aan wortelen varieert meest van 25 000—40 000 kg. per H.A., kan echter ook meer en zelfs minder bedragen; die aan koppen met loof zal in den regel loopen van 15000—25000 kg. perH.A.

Zaadbieten. Voor de productie van zaaizaad worden de bieten bij het rooien naar het uitwendig voorkomen uitgezocht. Die, welke aan de gestelde eischen voldoen, worden zorgvuldig tot het voorjaar bewaard en dan op suikergehalte onderzocht door polarisatie van het sap van boorstukken. De bieten met het hoogste suikergehalte worden als eliten voor verdere veredeling gebruikt, de suikerarmere dienen voor het kweeken van het zaad voor den handel. Ten einde een grootere massa zaad te winnen, worden van het zaad der uitgezochte bieten wel eerst tusschenbieten geteeld, waarvan het zaad voor den handel wordt gewonnen. Het zaad voor de tusschenbieten wordt ongeveer 3—4 weken later gezaaid dan het gewone en wel in rijen op een onderlingen afstand van ongeveer 25 cm. In de rij wordendeplanten gedund tot op afstanden van omstreeks 20 cm. Op die wijze wordt van een bepaald oppervlak een veel grooter aantal bieten verkregen dan bij de gewone cultuur. De bieten blijven daarbij wel is waar klein, maar dit heeft op de zaadwinning geen nadeeligen invloed. De zaadbieten worden het volgende voorjaar gepoot op afstanden van 60—80 cm. in het kwadraat. Als het grootste aantal vruchtkluwens bruin en de zaden melig zijn geworden, worden de stronken gesneden, in bossen gebonden en daarna aan hokken of schelven gezet om te drogen. Als ze behoorlijk droog zijn geworden, worden ze ingehaald en gedorschen. De opbrengst aan zaad varieert van 1500—3500 kg. per H.A. Het H.L.-ge-

wicht van het zaad bedraagt omstreeks 25 kg.

Ziekten en beschadigingen. De suikerbieten kunnen evenals de mangelwortelen als Memplantjes worden aangetast door de zwammen: Pythium de Baryanum Éesse van de wortelbrandzwam, Rhizoctonia violacea Tul.; in de bladeren door de bietenroest, Uromyces Betae Tulasne en Peronospora Schachtii; in de wortelen behalve door de wortelbrandzwam door Sclerotinia Libertiana.

De kiemplanten der bieten worden o. a. beschadigd door millioenpooten en bietenkevertjes, Atomaria linearis Steph.; de bladeren door de maden van de bietenvlieg, Anthomyia conformis Frall.; door slakken, aardvlooien, door de rupsen van de gamma-uil en enkele andere uilen, door aaskevers en hun larven en door schildpadtorretjes en hun larven; de wortels door engerlingen, ritnaalden, emelten, aardrupsen en bietenaaltjes, Heterodera Schachtii Schmidt. Zie verder Suikers.

Suikercontracten is de naam van de contracten, die tijdens het Cultuurstelsel (zie aldaar) gesloten werden tusschen het gouvernement en verschillende personen, die genegen waren zich als suikerfabrikant te vestigen. Deze laatsten ontvingen een renteloos voorschot en verbonden zich dit in suiker terug te betalen. Ook moesten zij voor het suikerriet, dat zij van het gouvernement ontvingen, suiker teruggeven. Aanvankelijk waren het meest Chineezen, die deze contracten met het gouvernement sloten. Later werden de voorwaarden herhaaldelijk gewijzigd. In 1838 werd bepaald, dat de contractfabrieken haar geheele productie aan het gouvernement moesten afleveren, in 1840 werd het verleenen van voorschotten facultatief, sedert 1841 was het gouvernement niet langer verplicht de suiker aan te nemen, sedert 1844 werden geen voorschotten meer gegeven. Bii de suikerwet van 1870 werd tot, He

geleidelijke opheffing van de gouvernements suikercultuur besloten. Na dien tijd heeft zij langzamerhand plaats gemaakt voor vrije ondernemingen.

Suikergust (Lepisma saccharina L ) is de naam van een insekt uit de orde der Franjestaartigen (Thysanura). Het onderscheidt zich door een rank, peervormig, van boven gewelfd lichaam, kleine oogen, 3 nagenoeg evenlange borstelharen aan het achterüjf en tarsen met twee geledingen. Het is 8 mm. lang, van boven fraai zilverglanzig en van onder lichtgeel. Het komt voor in alle landen van Europa, vooral in vochtige huizen, in oude kisten on

donkere plaatsen en leeft van wol, linnen, papier en leder.

Suikergierst. Zie Sorghum.

Suikerriet (Saccharum; zie de plaat), een plantenfamilie uit het geslacht van de Gramineeën (zie Grassen), bevat ongeveer 12 soorten, waarvan er 4 in de Nieuwe Wereld en 8 in de Oude Wereld voorkomen. De belangrijkste van deze is de saccharum ofjïcinarum of eigenlijk suikerriet. Hiertoe behooren hooge rietgewassen met lange, breede bladeren en groote, dichte, glanzige, behaarde bloeiwijze die uit een 60—80 cm. lange, pyramidevormige pluim bestaat, waarvan telkens 2 bloempakjes, elk uit één bloem bestaande, bij elkander staan. Elk bloempakje bezit 3 kleine blaadjes (kafjes), die de geslachtsorganen omhullen, met lange haren aan den voet, 3 kleinere schubjes, 3 meeldraden en een stamper met 2 stijlen en 2 veervormige stempels. De vruchtjes zijn langwerpig-eivormige, onbehaarde

Sluiten