Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kalk wordt het sap in verschillende stoffen ontleed. De kalk wordt n.1. voor een deel als suikerkalk in het sap opgenomen, een ander deel vormt met organische en anorganische zuren onoplosbare zouten, slaat eiwit- en pectineverbindingen neer en ontleedt andere niet-suikerstoffen, onder het vormen van verbindingen, die voor de suiker niet schadelijk zijn. Na de opneming van kalk wordt het sap zoo snel mogelijk tot koken verhit, waarna, onder voortdurend koken, koolzuur wordt toegevoegd. Deze bewerking, satureeren geheeten, dient om de opgeloste kalk onschadelijk te maken. Het koolzuur wordt door middel van doorboorde buizen of door een zeefbodem in fijn verdeelden toestand met het sap in aanraking gebracht en verbindt zich met kalk, waarna de koolzure kalk neerslaat. Het benoodigde koolzuur en kalk wordt in de fabriek zelf door het branden van kalk verkregen. De onzuivere bestanddeelen worden vervolgens door filterpersen (zie aldaar) verwijderd. Het filtervuil komt als vaste koeken uit de pers en wordt als meststof gebruikt. Gewoonlijk wordt het verkregen sap nog eens met kalk en koolzuur behandeld en opnieuw gefiltreerd. In sommige fabrieken satureert men zonder toevoeging van kalk het sap voor de derde maal; dikwijls met zwavel dioxyd, zelden met phosforzuur. Over het doelmatige van de derde saturatie heerscht geen eenstemmigheid. Het derde satureeren heeft ook dikwijls na het verdampen plaats. Men heeft vele methoden voor een betere reiniging van het sap beproefd, doch is tot nu toe nog niet daarin geslaagd-

Van de filtreerpersen heeft men nu een dunsap gekregen, dat nog verdampen moet, waarbij de suiker gekristalliseerd en uitgescheiden wordt. Men verdampt het sap in 2 gedeelten, eerst van dunsap tot

uiKsap en uaarna van aiKsap tot een mengsel van suikerkristallen en stroop, vulrnassa genaamd. Het eerste proces noemt men verdampen, het tweede verkoken. Tusschen het verdampen en verkoken heeft soms de derde saturatie plaats. In elk geval wordt het sap door bijzondere diksapfilters gefiltreerd. Men gebruikt thans algemeen verdampingstoestellen, waarbij de stoom van het verdampte sap opnieuw voor de verwarming gebruikt wordt. Zoo heeft men toestellen met 2, 3 en meervoudige werking .In elke volgende pan is dan het kookpunt lager dan in de voorafgaande. Men bereikt dit meestal door in de volgende pannen de lucht te verdunnen, soms ook door in de eerste pannen de lucht te verdichten. Dergelijke toestellen werden o. a. vervaardigd door Rilleux, Tischiein en Róbert. Zij bestaan in het algemeen uit 2, 3 of 4 pannen met buizen, waardoor of het verhit wordende sap, 6f de verwarmende stoom zich beweegt. Vroeger gebruikte men meest toestellen met verticale buizen, waardoor het sap stroomde, thans meest met horizontale buizen, waardoor öf het sap öf de damp gaat. Boven de kokende vloeistof moet een groote ruimte overblijven, om te verhinderen, dat de nevelblaasjes van sap door den damp weggevoerd zouden worden. Bovendien brengt men dikwijls sapvangers aan, die de sapblaasjes weer in de part terugvoeren. Aan elke pan bevindt zich een thermometer, een vacuummeter, kijkglazen en peilglazen. De toestellen zijn zóó ingericht, dat het sap achtereenvolgens, in voortdurende beweging, door alle pannen stroomt. De eerste pan wordt verwarmd door stoom, of door stoom vermengd met sap-

damp, de volgende door sapdamp, de damp van de laatste pan wordt in een condensator geleid. Aldaar wordt de in den damp aanwezige waterdamp verdicht; niet condenseerbare gassen, waartoe in de eerste plaats de aanwezige lucht behoort, worden door natte of droge luchtpompen weggevoerd. Een natte luchtpomp voert niet alleen deze gassen, doch ook het gecondenseerde water weg, terwijl bij een droge luchtpomp het water door een afzonderlijke buis verwijderd wordt. Het gecondenseerde warme water wordt óf afgevoerd, óf opnieuw gebruikt, bijv. voor het reinigen van de suikerbieten, het verwarmen van sap enz. Omdat het verkregen diksap nog troebel is, wordt het meestal door satureeren en filtreeren nog eens vóór het verkoken gezuiverd. Men kookt zoolang, totdat het indampen van het sap tot kristallisatie plaats heeft (koken op grein), of tot men een vloeistof verkregen heeft, die bij afkoeling kristalliseert (koken op draad). Sap wordt altijd op grein gekookt, de eerste stroop ook nog wel; de tweede stroop en verdere naprodukten zijn daarvoor echter te onzuiver en kristalliseeren te moeilijk. De kooktoestellen (vacuumpannen) werken altijd met verdunde lucht; men gebruikt daartoe een enkelvoudig toestel en laat het sap koken, totdat een met de proefkraan afgetapte hoeveelheid tusschen duim en vinger kortere of langere draden vormt; daarna laat men snel diksap toevloeien (bijtrekken) om door de beweging van het sap kristallisatie te bewerken. Vervolgens trekt men onder voortdurend koken onafgebroken of periodiek diksap bij, doch zóó, dat de kristallen alleen in grootte toenemen, maar er geen nieuwe, zoogenaamd valsch grein, ontstaan. Langzamerhand wordt de pan met kooksel gevuld, daarna de toevoer gestaakt en de massa in koeltroggen geleid, waar men het in bewesine houdt, tot het af¬

gekoeld is. Gedurende het afkoelen trekt men verdunde stroop bii, zoodat de kristallen noe srooter

! kunnen worden. Thans moet nog de gekristalliseerde suiker van de haar omringende stroop gescheiden worden. Dit geschiedt bij ruwe suikerfabricage uitsluitend door centrifugeeren in een snel ronddraaiende trommel, die geperforeerd en met gaas bekleed is. Hierin wordt de stroop weggeslingerd, terwijl de suiker achterblijft. De stroop wordt in een buitentrommel opgevangen. Wil men direct fijnere fabricaten bereiden, dan verwerkt men zuivere diksappen zeer zorgvuldig en reinigt de verkregen suiker in de centrifugen op een bijzondere wijze, dekken genaamd. Men leidt bij deze methode stoom, water of een verzadigde oplossing van zuivere suiker door de suikerlaag, waardoor de kristallen gewasschen worden. Kristalsuiker (granulated) wordt verkregen door de heete suiker uit de centrifuga te nemen, te drogen en te zeven. Voor de vervaardiging van pilésuiker laat men de centrifuge, nadat de stoom afgesloten is, nog eenigen tijd draaien, zoodat de suiker droogt en tot een harde massa samenkleeft, die op een breektoestel fijn gemaakt wordt. Melissuiker of farinsuiker is kristalsuiker, die op farinmolens wordt gemalen.

De zoogenaamde groene stroop, die in de centrifugen is afgevloeid, bezit een gehalte van 25—30% suiker. Zij wordt op draad gekookt en daarna in groote bakken geleid, waar zij bij het afkoelen kristalliseerd. Hierbij kristalliseert, naar den graad van het afkoelen, óf de gansche massa, óf een gedeelte, waarboven een laag stroop blijft staan. De op deze

Sluiten