Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sre: "X'

Padang Sidempoean 8 % 283 m. 2248 mm.

Solok 8 „ 376 „ 2317 „

Pajakombo 7 „ 512 „ 2511 „

Banling Agoeng.... 11 „ 559 „ 2138 „

Padang Pandjang . 8 „ 780 „ 3825 „

Port de Koek 7 „ 927 „ 2433 „

Lagoe Boti 14 „ 900 „ 1935 „

Toch bestaat er verschil tusschen plaatsen, die dicht bij den evenaar, en zulke die op grooteren afstand zijn gelegen, daar de laatste slechts één, de eerste twee droge en twee natte perioden bezitten. Telok Betoeng bijv. heeft slechts één maximum (JanuariFebruari), Bengkalis twee (April en November), waarbij het tweede hooger is dan het eerste. Uit de voorafgaande tabel valt ook te zien, dat de regenhoeveelheid toeneemt met de hoogte, hoewel het bedrag ook van andere factoren, zooals onweders, plantengroei enz. afhangt.

Omtrent luchtdruk en kracht van den wind bezitten wij nog slechts weinig gegevens. De gemiddelde jaarlijksche barometerstand bedraagt te Padang 753,7 mm. Wat de vnndrichting betreft, ligt Sumatra wel in het moesongebied, maar een regelmatige afwisseling van W. en O. moeson valt alleen aan de O. kust tot in Deli te bespeuren. Hier waait in het algemeen van Mei tot October de Z.O. passaat (O. moeson), van November tot Mei de N.W. moeson (W. moeson), maar komen vele locale uitzonderingen voor en neemt de standvastigheid der windrichtingen naar het N. toe af, waar men dan ook niet meer van een droog en een nat jaargetijde kan spreken. Aan de N. kust van Sumatra vatten van Diamantpunt af wel weer moesonwinden te bespeuren, n.1. van April tot October de Z.W. en van Januari tot April de O. moeson, terwijl in de maanden November-Januari meestal Z.O. winden waaien, maar op vele plaatsen en gedurende een aanzienlijk deel des jaars moeten de moesonwinden het veld ruimen voor de dagelijks afwisselende land- en zeewinden. Nog zwakker zijn de moesons aan de W. kust ontwikkeld, waar, vooral in de nabijheid van den evenaar, overwegend veranderlijke winden heerschen, opgewekt door plaatselijke invloeden.

Plantenwereld. Dank zij de gunstige levensvoorwaarden, is de plantengroei verbazend goed ontwikkeld en het eiland, vooral ten O. van den Boekit Barisan, grootendeels met onmetelijke oerwouden bedekt, die slechts hier en daar, zooals in de residentie Tapanoeli, door uitgestrekte grasvlakten onderbroken worden, of, zooals in Deli, ter wille van den landbouw gekapt zijn. Onder de woudreuzen steekt vooral de kamferboom uit; talrijke boomsoorten leveren voortreffelijk timmerhout, zooals de ebben- en ijzerhoutboomen, andere geven harsen (damar), gommen (getah) en oliën; bamboe en rotting groeien er in overvloed en onder de talrijke woudbloemen overtreft de rafflesia alle andere door haar afmetingen.

Het karakter der flora hangt af van klimatologische factoren, n.1. de bestraling der zon en de hydrometeoren, en van edaphische factoren, d.i. de gesteldheid van den bodem. Men kan derhalve op Sumatra zoowel klimatische, als edaphische formaties

onderscheiden. Tot de eerste behooren vooreerst de regenwouden, welke op vele plaatsen worden aangetroffen, waar de jaarlijksche regenhoeveelheid meer dan 1800 mm. bedraagt. Zij zijn rijk aan lianen en epiphyten en hebben boomen met oneffen oppervlakte, glanzende bladeren, weinig vertakkingen, wortellijsten en een zwakke schors. In de tw. ede plaats de savanne wouden, in streken met een regenval van minder dan 1500 mm. Zij bevatten lage boomsoorten, arm aan onderhoud, doch rijk aan manshooge grassen, vooral alang-alang. Ten derde demoesonwouden, welke rijk zijn aan kruidachtige, doch arm aan houtachtige epiphvten. De boomen hebben lage dikke stammen en scherm vormige kronen. Eindelijk de ladangwouden, secundaire regenwouden, welke zich ontwikkelen uit de met grassen en kruiden begroeide verlaten akkers (ladangs).

Van de edaphische formaties moeten vooral genoemd worden de m o e r a s- en de s t r a n d f o rm a t i e. De eerste omvat zoetwaterwouden langs sommige der groote rivieren, welke aan de 0. kust uitmonden, en kan nog een verschillend karakter vertoonen, al naar gelang de gesteldheid van den ondergrond. In de echte moerasbosschen zijn de soorten Calophyüum, Eugenia en Pandanus goed vertegenwoordigd, alle gekenmerkt door lange luchtwortels, sterke wortellijsten, ademwortels metgroote lenticellen enz. De strandformatie beslaat langs de O. kust een reusachtig gebied. Op het zandige strand groeien, waar de wind zijn invloed kan doen gelden, gramineeën, cyperaceeën en convolvulaceeën, alsmede ipomaeasoorten, op meer beschutte plaatsen treedt Casuarina equisetifolia op den voorgrond. De moerassige kuststreek, die bij vloed overstroomd wordt, is bezet met rhizophorenbosschenj waarin de geslachten Rhizophora, Ceriops, Kandelia, Bruguiera, Sonneratia en Avicenna goed vertegenwoordigd zijn; waar de zee niet meer kan komen, maken de rhizophoren plaats voor Pandanus. Ook Thespesia, Pandanus en Cocos nemen deel aan de strandvegetatie, terwijl in de lagunen, ver van zee verwijderd, de Nipa- en andere kleine palmen optreden.

Pijnboombosschen treft men op hooge berghellingen aan, terwijl de Alpine flora, gekenmerkt door kleine individuen van Gnaphalium-, Vaccinium- en Rhododendronsoorten, met kleine bladeren en fraai gekleurde bloemen, alsmede door kleine grassoorten, mossen en korstmossen, alleen op de hoogste bergtoppen voorkomt.

Dierenwereld. In overeenstemming met den rijken plantengroei, is ook de dierenwereld zeer goed ontwikkeld. Maar hoe talrijk ook het aantal soorten en geslachten is, hoe groot de zoogdieren en hoe prachtig gekleurd ook de vogels zijn, toch dragen zij slechts weinig tot stoffage van het landschap bij, ja worden zij in het dichte oerwoud ter nauwernood opgemerkt. De oorzaken daarvan zijn verschillend, zoo bijv. het overweldigende van den plantengroei, waardoor de dierlijke bewoners niet gemakkelijk opgemerkt worden, de omstandigheid, dat vele nachtdieren zijn, alsook dat zij de nabijheid van den mensch liefst vermijden. De gevallen, waarin bepaalde dieren zich in groot aantal gedurende langeren tijd geregeld op dezelfde plaats ophouden, zijn zeldzaam. Daartoe kan men rekenen de koloniën van apen aan den rand van het bosch, de vliegende honden, die in groote scharen 's nachts naar het

Sluiten