Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27 890, waarvan 18 872 arbeiders en wel 42 Europeanen, 285 Javanen, 7460 Britsch-Indiërs en 10 628 inboorlingen. De opbrengst bedroeg:

Cacao 479 890

Koffie 14164

Rijst 1 682 670

Maïs 714 396

Aardvruchten 1 037 131

Bananen 414 568 bossen.

Bacoven 142 767 „

Kokosnoten 831 026 stuks.

Hoe weinig belangrijk de veeteelt in vergelijking met den landbouw is, kan uit den omvang van den veestapel blijken. Deze bestond in 1909 uit:

7445 runderen.

265 paarden.

527 ezels.

114 muilezels.

113 schapen.

2065 geiten.

2923 varkens.

Even onbeduidend is de nijverheid, die bijna uitsluitend uit klein-industrie bestaat en zoo goed als geheel tot de hoofdplaats beperkt is. Buiten deze vond men in 1908: 321 winkels — waarvan tevens 182 tapperijen — 22 bakkerijen en 6 slachterijen. Ook het inzamelen van boschproduJcten is van geen belang, terwijl met de exploitatie der aan goede houtsoorten rijke bosschen eerst een begin is gemaakt. Meer beteekent daarentegen de winning van balata, een op getah pertja gelijkend produkt, verkregen van den bolletrieboom (Mimusops balata). De uitvoer, grootendeels naar Amsterdam, steeg van 180 000 kg. in 1894, tot 265 000 in 1904 en 633 000 kg. in 1909.

In den jongsten tijd is de mijnbouw, en wel de anudantainnina. in Suriname van belang geworden,

al zullen de tot voor enkele jaren gekoesterde groote verwachtingen wel niet worden vervuld. De legende van Guyana's goudrijkdom dagteekent reeds uit den tijd van sir Walther Raleigh, die hier het dorado der Indiaansche overlevering meende te moeten zoeken. Het duurde echter tot 1874 vóór goud in eenigszins noemenswaardige hoeveelheid ontdekt werd en wel in het Marowijnegebied, waarop in 1875 de eerste concessie werd uitgegeven en in 1876, volgens officiëele opgave, 38 kg. goud werd uitgevoerd. Thans werden een menigte concessies uitgegeven, zoowel aan de Marowijne, als aan de Suriname en de Saramacca. Daarop volgden de ontdekkingen van rijke deposits aan de Boven Sarakreek (1881—1882) en tien jaren later (1893) de exploitatie van de streek tusschen Lawa en Tapanahoni, nadat in 1891 dit gebied bij scheidsrechterlijke uitspraak van den czaar van Rusland aan ons was toegekend. In de jaren 1897—1902 namen vreemde maatschappijen — vooral Nederlandsche en Amerikaansche — een belangrijk aandeel aan de ontwikkeling dezer industrie, waarvan de meeste echter in liquidatie gingen. De goudontginning trad thans in een nieuwe phase, doordat arbeiders en opzichters der vroegere ondernemingen de terreinen in onderhuur kregen tegen 10—15% van de bruto-opbrengst en het werk op kleine schaal met eigen krachten voortzetten, waardoor de opbrengst aan goud sedert 1903 geregeld toenam en in 1908 tot 1209 kg. steeg. Noch¬

tans valt op het klein-bedrijf niet te rekenen voor de ontwikkeling van den mijnbouw. Terwijl de exploratie van het Lawagebied van gouvernementswege heeft aangetoond, dat hier geen herleving der grootindustrie mag verwacht worden (Koloniaal Verslag, 1907 Supplement), is de kans daartoe grooter in een strook lands aan de Marowijne, in het stroomgebied der Grankreek, aan de W. helling van het Lelygebergte (Koloniaal Verslag 1908). Of het daartoe komen zal, moet de toekomst leeren.

Voor de opbrengst aan goud tot 1904, zie het artikel Goud.

Wat handel en scheepvaart betreft, deze is grootendeels in de hoofdstad Paramaribo geconcentreerd, waar stoomschepen van niet meer dan 12 vt. diepgang te allen tijde en bij vloed zelfs van 19 vt. kunnen binnenvallen. Voor de verbinding met het buitenland zorgt de Kon.W. Indische Maildienst, terwijl nu en dan ook vreemde schepen Paramaribo aandoen. Suriname zelf heeft, met uitzondering van eenige kleine kotters, geen handelsmarine. Het gouvernement heeft een stoomvaartdienst ingericht, hoofdzakelijk ter verbinding van Albina, Nickerie en Ooronie met de hoofdplaats. Van de rivieren worden de Suriname tot nabij de Cassiporakreek, de Commewijne tot aan de Tempati en de Cottica tot Rikanau door zeeschepen bevaren, alsook de Marowijne tot Albina en nu en dan de Saramacca tot Anna'sZorg. Rivierbooten onderhouden hoofdzakelijk personenvervoer op de Suriname en de Commewijne,

alsook de Saramacca, terwijl veraer nei vervoer op de rivieren voor personen met tentbooten, van goederen met ponten geschiedt, zoover als de plantages reiken, hooger op met Corjalen,door Boschnegers gepagaaid. Van veel belang is de aanleg van een spoorweg geweest, waarmede door de Regeering in 1903 een begin werd gemaakt en die thans (1910) gereed is van Paramaribo tot aan de Surinamerivier (133,5 km.), terwijl hij zal doorgetrokken worden tot Dam aan de Sarakreek (175 km.). De Surinamerivier wordt overschreden door middel van een hangkabelbaan. Het plan om de lijn door te trekken tot in het Lawagebied is opgegeven. Transport met karren of lastdieren komt bij gebrek aan wegen bijna niet voor; ook het lastdragen door personen is beperkt. Tot ondersteuning van den handel in de kolonie dient de Surinaamsche Bank, gevestigd te Amsterdam. Het muntwezen is geregeld in overeenstemming met dat van het moederland. De beteekenis van handel en scheepvaart kan blijken uit de tabellen op pagina's 785, 786 en 787.

Waarde van den in- en uitvoer van Suriname over de jaren 1899—1908.

Jaar. Invoer. Uitvoer.

'

1899 / 6,122,112.— f 5,517,384.—

1900 „ 6,166,608.— „ 6,540,855.—

190 1 „ 7,077,836.— „ 5,365,594.—

1902 6,183,074.— „ 4,116,724.—

1903 6,305,619.— „ 4,292,256.—

1904 „ 7,399,505.— „ 3,692,427.—

1905 „ 6,657,314.— „ 4,431,733.—

1906 6,273,180.— „ 4,749,667.—

1907 „ 6,903,608.— „ 5,888,667.—

1908 „ 7,036,847.— „ 6,033,369.—

Sluiten