Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trok'in 1896 als geoloog en bergingenieur naar WestAustralië en Tasmania, in 1898 naar Siam en vandaar naar het Maleisch schiereiland, waar hij in 1904 te Koeala Lampoer overleed.

Swanenburg'h. Van deze schildersfamilie noemen wij:

Swanenburgh, Isaac Claesz. van, een Hollandsch schilder van historie- en genrestukken, werd geboren te Leiden voor 1550 en overleed aldaar in 1614. Hij behoorde tot een aanzienlijk geslacht en was verscheidene malen burgemeester van Leiden. Behalve drie van zijn zonen leerde bij hem ook Otto van Veen, de leermeester van Rubens en den beroemden landschapschilder Jan van Qoyen. Ter versiering van de oude Lakenhal te Leiden schilderde hij een zestal taf ereelen uit het lakenweversbedrijf, die thans in het Stedelijk Museum aldaar bewaard worden. Ook het Rijksmuseum te Amsterdam bezit een schilderij van zijn hand.

Swanenburgh, Jacob Isaacsz., een zoon van den vorige, een Hollandsch schilder, geboren te Leiden in 1571 en overleden aldaar in 1638. Hij was een onbeduidend schilder, maar is vooral bekend omdat hij Rembrandt's eerste leermeester was. Hij had verscheidene jaren in Italië doorgebracht, wat misschien de oorzaak was dat Rembrandt's vader zijn zoon juist bij Swanenburghin&eleer deed. Wij kennenslechtstwee schilderijen van hem, beide gezichten op het plein vóór den St. Pieter te Rome. Het ééne bevindt zich in het museum te Augsburg, het andere in dat te Kopenhagen.

Swanevelt, Herman van, een Hollandsch landschapschilder en etser, werd geboren te Woerden omstreeks 1600 en overleed te Parijs in 1655 of 1656. Hij was misschien een leerling, in ieder geval een navolger van Claude Lorrain. Hij was werkzaam in Rome en in Parijs, waar hij in 1653 lid van de Academie voor Schoone Kunsten werd. Swanevelt schilderde Italiaansche landschappen in den trant van Claude Lorrain, die indertijd zeer bewonderd, tegenwoordig als van weinig kunstwaarde beschouwd worden. Veel beter zijn zijn etsen, waarin hij, in tegenstelling met zijn schilderijen, geheel oorspronkelijk was. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande o. a. in het Mauritshuis en de verzameling Steengracht te 's Gravenhage en in Teyler's museum te Haarlem.

Swantaild was volgens een Noorsche sage een dochter van Sigurd en Gudrun en werd aan het hof van haar stiefvader Jonakr opgevoed. Haar hand werd gevraagd door koning Jormunreh (Ermrich), die zijn zoon Randwer met deze opdracht naar Jonahr zond. De verrader Bikki haalde Randwer over Swanhild zelf tot vrouw te vragen, en deelde dit tegelijkertijd mede aan Jormunrek, die Randwer liet ophangen en Swanhild onder de paarden werpen. Gudrun zond daarna haar zonen Sorli en Hamdir naar Jormunrek, die om hun zuster te wreken den koning handen en voeten afsloegen, doch door de aanhangers van Jormunrek werden gesteenigd.

Swansea, een stad in het graafschap van dien naam, ligt in Zuid-Wabs, aan de rivier de Tdwe en aan de Swanseabaai. Zij is een weinig aantrekkelijke fabrieksstad met (1901) 94 537 inwoners. Men vindt er eenige kerken, een stadhuis, waarvoor een standbeeld van J. H. Vivian, een nieuwen schouwburg, 3 parken, een ruïne van een oud slot, de Royal Institution met een museum en een bibliotheek, een

kweekschool voor onderwijzers, een Latijnsche school, een kunstschool met een bibliotheek en een museum, een blindeninstituut en een doofstommeninstituut. Talrijk zijn er de koper,- zink-, ijzer-, staal- en machinefabrieken. De stad dankt haar bloei aan de rijke kolenmijnen in de nabijheid; daardoor ontvangt zij ook koper- en zinkertsen uit alle oorden der wereld om deze te smelten. De handel is van veel belang en wordt bevorderd door 3 groote dokken (1852—1889 aangelegd). Tot de haven belmoren (1903) 84 zeeschepen van 54 583 ton en 40 visschersschepen. In 1903 liepen 5708 schepen van 2 074 750 ton de haven binnen. De invoer van het buitenland bedroeg £ 4024493, de uitvoer M 6008039. Tot 1888 behoorde Swansea tot Glamorganshire.

Swart van Groningen, Jan, een Hollandsch schilder en houtsnijder, werd geboren te Groningen in 1469(?) en overleed waarschijnlijk te Autun in 1535. Omstreeks 1522/23 was hij met Scorel te Gouda werkzaam. In Gouda was de later beroemde glasschilder Crdbeth zijn leerling. Zijn werk vertoont den invloed van Lucas van Leyden. Schilderijen, aan hem toegeschreven, bevinden zich o.a. in de musea te Antwerpen, Brussel, Londen,''München en Parijs.

Swart, Jacob, een Nederlandsch zeevaartkundige, geboren te Amsterdam den 17den Juli 1796, werd op 20-jarigen leeftijd stuurmansleerling en volbracht een reis naar Oost-Indië. Hij werd in 1821 benoemd tot onderwijzer aan de kweekschool voor de zeevaart te Amsterdam. In 1828 echter liet hij deze betrekking varen en kwam aan het hoofd van de uitgeversfirma de weduwe G. Hulst van Keulen. Hij gaf van 1829 tot 1859 negen drukken uit van zijn „Sterren- en zeevaart-kundige tafelen", verder een vernieuwde en verbeterde uitgave der „Zeemantafelen" (1832) van Douwes, een verklaring van den „Zeemansalmanak", een „Praktische Zeevaartkunde" en een „Almanak ten dienste der zeelieden". In 1841 nam hij met Tindal de redactie op zich van de „Verhandelingen en berichten betrekkelijk het zeewezen, enz." Hij was ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en lid van onderscheiden geleerde genootschappen, sedert 1830 rijksonderwijzer in de zeevaartkunde, van 1832—1857 bewaarder en beheerder der rijksinstrumenten, van 1838—1850 lid der commissie tot het examineeren van zee-officieren en overleed den 14den Maart 1866.

Swart, Willem Simon, een Nederlandsch wisen natuurkundige, geboren te Leiden den 6den December 1807, studeerde te Amsterdam en te Utrecht en verwierf in 1831 het doctoraat in de wis- en natuurkunde. Hij werd nog voor zijn promotie benoemd tot lector in de wis- en natuurkunde bij de maatschappij: „Felix Meritis" te Amsterdam, alsmede bij het departement Amsterdam der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Weldra werd hij leeraar in de scheikunde aan het athenaeum en aan de klinische school aldaar en in 1834 hoogleeraar in de wis- en natuurkunde. Verder was hij Md en vele jaren voorzitter van de eerste klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut. Hij overleed den 12den Maart 1847. In de tijdschriften van het Instituut leverde hij: „Waarnemingen over den met de diepte toenemenden warmtegraad in den Artesischen put op de Nieuwe Markt te Amsterdam" (1841), „Onderzoekingen naar de onderscheiding van arsenicum en antimonium bij het gebruik van het toestel van Marsch" (1842), „Beproeving van mete-

Sluiten