Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SWEDENBORG-SWETE.

797

holm den 298ten Januari 1688, was de zoon van Jesper Swedberg, bisschop van West-Gotland. Hij studeerde te Upsala in de philologie, wijsbegeerte, wisen natuurkunde, natuurlijke historie en theologie, en behaalde op 21 jarigen leeftijd den doctoralen graad in de wijsbegeerte. Hij bereisde van 1710— 1714 Engeland, Nederland, Frankrijk en Duitschland en werd in 1716 assessor bij het mijncoüege te Stockholm, waar hij een aantal mechanische uitvindingen deed. Voor de belegering van Frederikshall in 1718 bracht hij 7 schepen door middel van rollen 5 uur ver over bergen en dalen. Dit, zoowel als zijn geschriften over algebra, de waarde der munter.', den loop der planeten, ebbe en vloed enz. bewerkten, dat hij in 1719 onder den naam Swedmborg in den adelstand verheven werd. In de daarop volgende jaren deed hij reizen naar de mijnen van Zweden, Saksen, Bohemen en Oostenrijk. In zijn „Opera philosophica et mineralogica" (3 dln., 1734, met 135 kopergravures) ontwikkelde hij, op grond van de uitgebreide wis- en natuurkundige studiën, een beschouwing over de anorganische wereld, waarin hij een mechanisch en organisch verband tusschen alle dingen aanneemt. Van 1736—1740 deed hij opnieuw reizen door Europa. Daarna gaf hij zijn „Oeconomia regni animalis"f(1740—1741), „Regnum animale" (dl. 1 en 2,1744, dl. 3,1745) en zijn „De cultu et amore Dei" uit, waarin hij zijn beschouwingen ook op de organische wereld, vooral op den mensch, toepaste. Daarna legde hij zich uitsluitend op theosofische studiën toe, daar hij naar zijn meening door God geroepen was om een nieuwe Kerk te stichten, zooals die in de Openbaring van Johannes verkondigd was. Hij meende deze zending te vervullen door het Woord Gods in een naar zijn meening waren zin uit te leggen, een volledig godsdienstig stelsel te ontwikkelen en den aard van het geestenrijk en zijn verband met de menschenwereld in eigenaardige visioenen te onthullen. Naar aanleiding hiervan noemde Kant hem in zijn „Traume eines Geistersehers" (1766) een aartsphantast en dweper. De voornaamste werken, waarin hij deze leer ontwikkelt, zijn „Arcana coelestia" (8 dln., 1749 —1756), „De coelo et inferno" (1758), „De nova Hierosolyma et ejus doctrina" (1758), „Apocalypsis explicata"(1761) en „Vera christiana religio" (1771). Reeds in 1747 had hij zijn betrekking laten varen, om zich geheel aan de ontwikkeling en verbreiding van zijn denkbeelden te kunnen wijden, en ontving een pensioen van den koning. Hij overleed op een reis naar Engeland den 298ten Maart 1772 te Londen. Het getal van zijn aanhangers nam langzamerhand toe; den meesten opgang maakte zijn leer (Nieuwe Kerk of Nieuw Jeruzalem) in Engeland, waar in 1893 81 gemeenten bestonden, en de in 1810 opgerichte Swedenborg-Society voor de verbreiding van zijn schriften werkte. Ook in Noord-Amerika werd zijn leer in den laatsten tijd zeer verbreid.

Sweelinck, Jan Pieters, een Nederlandsch componist en organist, geboren in 1562 te Deventer of Amsterdam, ontving onderricht van Zarlino te Venetië en was de grondlegger van de Noord-Duitsche organistenschool, waartoe o. a. Scheidt, Schildt, Scheidemann, Praetorius en Siefert behoorden en die haar voortzetting vond in J. S. Bach. Hij overleed den 16den October 1621 te Amsterdam. Een volledige uitgave van zijn werken verscheen van 1895—1903 in 12 deelen.

Sweet, Henry, een Engelsch taalgeleerde, geboren den 15d<,n September 1845 te Londen, studeerde in King's College School, te Heidelberg en in het Balliol College te Oxford, waar hij Magister artium werd. De Angel-Saksische taalkunde werd bevorderd door zijn uitgaven van „Cura pastoralis" (1871), ,,Orosius"(1883) en „Oldest English texts" "(1885). Door zijn „Handbook of phonetics"(1877), waarbij zich de „Primers" aansluiten, en zijn „Elementarbuch des gesprochenen Englisch"(3de druk, 1891) werd de studie van de phonetiek in geheel nieuwe banen geleid. Verder schreef hij o. a.: „History of English sounds"(1874), „Words, logic and grammar"(1876), „New English Grammar"(1892) en „The student's dictionary of Anglo-Saxon" (1897). Op literair-historisch gebied schreef hij: „A Sketch of Anglo Saxon Poetry"(in „History of Englisch poetry", dl. 4, 1871) en „Shelley's naturepoetry"(1891). In 1886 werd hij honoris causa door de universiteit te Heidelberg tot doctor bevorderd, in 1900 werd hij buitenlandsch lid van de Academie van Wetenschappen te Berlijn. Hij werd in 1901 hoogleeraar in de phonetiek te Oxford.

Swellendam, een distrikt in het kustgebied van de oude Kaapkolonie, heeft een oppervlakte van 6117 v. km. en telt 11 256 inwoners. Men vindt er landbouw en veeteelt. De hoofdplaats Swellendam telt 1727 inwoners. Te Zuurbraak is een zendelingsstation gevestigd.

Swert, Jules de, een Belgisch musicus, geboren den 16den Augustus 1843 te Leuven, een leerling van Servais, werd in 1865 concertmeester te Düsseldorf, in 1868 solo-cellist aan de hofkapel te Weimar en was van 1869—1873 concertmeester aan het hoftheater en leeraar aan de hoogeschool te Berlijn. Daarna deed hij een aantal kunstreizen en werd in 1888 directeur van de muziekschool en kapelmeester van de symfonieconcerten te Ostende. Hij componeerde een aantal werken voor violoncel, een symfonie de „Nordseefahrt", de opera's „Die Albigenser" (1878) en „Graf Hammerstein"(1884) en gaf een violoncelschool „Gradus ad Parnassum" uit. Hij overleed den 248'611 Februari 1891 te Ostende.

Swerts, Jan, een Belgisch schilder, geboren in 1825 te Antwerpen, was een leerling van N. de Keyser aldaar, studeerde vervolgens e_en jaar te Parijs en deed daarna met zijn vriend Godefried Guffms een reis door Italië en Duitschland en vervaardigde met hem een aantal tafereelen met godsdienstige en geschiedkundige onderwerpen (zie Guffens). Sedert 1874 was hij directeur van de Academie voor Kunst te Praag. Hij overleed den llfen Augustus 1879 te Marienbad.

Swete, Henry Barclay, een Engelsch godgeleerde, geboren den I4den Maart 1835 te Redlands, was van 1869—1877 dean van het Cajus College te Cambridge, van 1877—1890 rector te Ashdon, van 18821890 hoogleeraar in de herderlijke theologie aan het King's College te Londen en werd in 1890 hoogleeraar te Cambridge. Van zijn werken noemen wij: „Two essays on the history of the doctrine of the Holy Spirit"(1873 en 1876), „The Apostles'creed in relation to primitive christianity"(3de druk, 1899), „Faith in relation to creed, thought and life"(1895), „Church services and service books before the Reformation"(1896), „An introduction to the Old Testament in Greek"(2de druk, 1902), „Patristic study" (1902) en „Studies in the teaching of our Lord"

Sluiten