Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwerpen aan vreemde onderdrukkers; David i bijv. maakte een groot gedeelte van het land tot een ] wingewest van het Israëlietische rijk. Bij de scheu- s ring van dit laatste hernamen de Syriërs hnn onaf- < hankelijkheid, en te Damascus ontstond een zelf- i standig rijk, waaraan de gebieders der overige steden j langzamerhand schatplichtig werden. Na velerlei i lotsverwisseling werd Syrië in 732 v. Chr. door Tiglat 1 Pilesar veranderd in een wingewest van het Assyri- | sche rijk en deelde na dien tijd in de verandering van heerschappij, welke in Klein-Azië gedurig plaats | greep. Syrië was achtereenvolgens een provincie van Babyion (605), Perzië (539) en Macedonië (333), tot- ] dat het eindelijk in 301 door de Seleuciden weder tot , een onafhankelijk rijk verheven werd. De stichter dezer dynastie, Seleucus Nicator (301—281), strekte de grenzen van zijn gebied oostwaarts uit tot aan den Oxus en Indus. Door vernieuwing en stichting van onderscheiden Grieksche steden (Seleucia aan den Tigris, Seleucia aan den Orontes, Aiitiochië enz.) wilde hij het rijk tot bloei brengen. Doch reeds in 256 werd Iran door de Parthen vanSyrië losgemaakt, die in 150 het rijk tot eigenlijk Syrië beperkten. Ook dit werd in 85 grootendeels aan den Armenischen koning Tigranes onderworpen, totdat het in 64 ingelijfd werd in het Romeinsche rijk. In de 4<]e eeuw n. Chr. scheidde Constantijn de Groote Commagene en Cyrrhestica van het overig gedeelte van Syrië en vormde daarvan een afzonderlijke provincie onder den naam Provincia Euphratensis, het overblijvend land werd later door Theodosius de Jongere gesplitst in Syria prima en Syria secunda. Ten tijde van Justinianus werden de belangrijkste steden van Syrië door de Perzen veroverd, en onder deze Antiochië. In 634 overstroomden de Arabieren het land en bekeerden de inwoners tot den Islam. Eerst onder de heerschappij der Arabische khalifen begon Syrië weer te bloeien. Intusschen werd het land weldra door oproerige stadhouders veroverd, die het weder aan Turkmeensche soldaten moesten afstaan. Omstreeks 1190 vestigden zich de Ismaëlieten of Assassynen in Syrië. Veel had het land te lijden van de Kruistochten. Saladijn, sultan van Egypte, veroverde het weder op de Kruisvaarders en onder zijn opvolgers kwam het aan de Mamelukken. Verder werd het zwaar geteisterd door de invallen der Mongolen. In 1516 werd Syrië door Selim 1, sultan der Osmanen, bemachtigd en vormde na dien tijd een Turksche provincie. Niettemin kwamen zijn pasja's meermalen in opstand tegen de Porte. In 1833 kwam Syrië onder de heerschappij van Mehemed AU, onderkoning van Egypte, maar keerde door tusschenkomst der Europeesche Mogendheden in 1840 terug onder de heerschappij der Porte. Voortdurende oorlogen en binnenlandsche ongeregeldheden hebben land en volk geheel en al uitgeput. In den nieuweren tijd heeft Syrië de aandacht wederom gewekt door den strijd der Droesen tegen de Maronieten, zoodat, wegens de bloedige vervolgingen, waaraan laatstgenoemden, vooral in Juni 1858, waren blootgesteld, en wegens den Christenmoord te Damascus van Juli 1860 tot Juni 1861, een Fransch leger het land bezette. Maar daarmede waren deze vervolgingen niet ten einde en nog in September 1903 hadden weer Christenvervolgingen te Beiroet plaats.

Syringa is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Oleaceae. Het omvat heesters met

tegenovergestelde, onbehaarde, gaafrandige bladeren, welriekende bloemen, die tot eeiie rijke pluim samengevoegd zijn, en droge, 2-hokkige, 2-kleppige doosvruchten. De voornaamste soorten zijn: S. Josikeae, S. villosa, 8. pubescens, S. óblata, 8. hyacinthifhyra, 8. vulgaris, S. chinensis, 8. persica, S. Pekenensis, S. Amurensis, S. Japonica en S. Emodi. De belangrijkste onderscheiden zich door aangenamen geur, zooals S. OUata, 8. vulgaris en S. pubescens, terwijl S. chinensis te sterk riekt, óf door prachtigen bloei, zooals S. vulgaris, die door geschikte kunstmiddelen zóó vroeg kan opgewekt worden, dat hij in een tijd komt, waarin bloemen schaars zijn. S. japonica, S. pelcenensis, S. Emodi en S. villosa kunnen als sierheester dienen. De Syringa vulgaris of gewone sering bezit een groot getal tuinvormen en variëteiten.Enkelbloemige witte zijn: Aïba grandiflora, aïba piramidalis, Bertha Dammann, Marie Legray (de beste voor den bloemist). In het blauwepaarse zijn: Charles X een der beste voor den bloemist), Marleyensis. Enkelbloemige purperkleurig: Ludwig Spath. Dubbelbloemige zijn minder waard voor den handel. Ook hierin treft men verschillende gekleurde aan, b.v. Wit: Madame Lemovn. Blauw, lila of paars, Doyen Ketelaar, Alphonse Lavallé, President Carnot. Te Aalsmeer worden bijzonder belangrijke hoeveelheden seringen geforceerd. Daartoe kweekt men planten met voorbereide aardballen, voorzien van lange, sterke takken op. In December—Maart worden deze in de kassen bij een temperatuur van 80—100°F. onder hoogen vochtigheidstoestand van de lucht geforceerd. Reeds begint Aalsmeer naar Duitschland en Amerika de geforceerde bloemen te verzenden. Boskoop kweekt duizenden planten in potten, die door 2 jarige teelt voor de bloemisten in Amerika, Engeland, Duitschland, Oostenrijk en Noordelijke landen geschikt gemaakt zijn, om te f orceeren. De teelt der sering slaagt alleen bij inachtneming van een ruimen stand, krachtige voeding, veredeling en verplanting op juisten tijd en beschutting voor nachtvorst in 't voorjaar.

Syrische Christenen is eigenlijk de algemeene naam voor de Christenen van het Oosten, die den Bijbel in het Syrisch lezen en de kerkelijke plechtigheden in het Syrisch verrichten. Men geeft echter aan sommige afdeelingen van de Syrische Kerk bijzondere namen, zooals aan de Maronieten van den Libanon, de Jakobieten van Mesopotamië en de Thomas-Christenen in Indië, terwijl de naam Syrische Christenen beperkt blijft tot de Nestorianen (zie aldaar).

Syrische taal en letterkunde. Do Syrische taal, oorspronkelijk het dialect van Edessa in het N. W. van Mesopotamië, is de belangrijkste tak van de Aramaesche taal (zie aldaar). Zij was reeds vóór de invoering van het Christendom te Edessa als schrijftaal in gebruik, doch kreeg een bijzondere beteekenis, toen zij na de bijbelvertaling in de 2de eeuw n. Chr. de taal van de Aramaesche Christenen werd. Haar bloeitijd valt tusschen de 3de—7de eeuw; daarna werd zij meer en meer door . het Arabisch verdrongen. Thans komt het Syrisch : alleen nog als schrijftaal en als taal van de geleerden ■ voor. De Aramaesche dialecten, die nog in Koer; distan en Mesopotamië gesproken worden, zijn niet onmiddellijk van het Oud-Syrisch afgeleid. Door : Amerikaansche en Roomsche zendelingen is het : Nieuw-Syrisch tot een schrijftaal verheven. De beste

Sluiten