Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

praktijk en werd in 1842 tot opperstoelrechter, in 1846 tot vicegespan in Borsod en van 1843—1844 tot afgevaardigde naar den Rijksdag benoemd. In Maart 1848 belastte hij zich in het ministerie Batthyanyi met de portefeuille van Binnenlandsche Zaken, koos met Kossuth de zijde der revolutie, aanvaardde met hem, na de aftreding van het ministerie, het voorloopig bewind en nam zitting in de commissie der verdediging van het land. In December 1848 vertrok hij als rijkscommissaris naar Opper-Hongarije en organiseerde er een guerillakorps. Na de onafhankelijkheidsverklaring (14 April 1849) belastte hij zich met het voorzitterschap in het nieuwe Kabinet, vluchtte, nadat Görgei de wapens had nedergelegd, naar Konstantinopel, volbracht daarop een reis naar Griekenland en vestigde zich eindelijk te Parijs. Hier schreef hij: „Ludwig Battliyanyi, A. Görgei und L. Kossuth"(1851). Verzwakt naar lichaam en geest keerde hij in 1865 naar zijn vaderland terug en overleed in een krankzinnigengesticht te Ofen den 18den Januari 1869. Zijn gezamenlijke geschriften zijn van 1869—1870 in 2 dln. in het licht verschenen.

Szentes, een Hongaarsche stad, de zetel van het comitaat Csongrad, ligt aan de Kurcza, aan de Theisz, waarover een nieuwe brug ligt, en aan 3 spoorwegen, bezit een aantal fabrieken, een rechtbank, een gymnasium, een bibliotheek, een museum, een artesische put, wijnbouw en telt (1901) 31 308 inwoners, die zich voornamelijk met landbouw en veeteelt bezig houden.

Szlget, een stad in Hongarije, heet ook Marmaros-Ssiget. Zie aldaar.

Szigetvar, vroeger een belangrijke vesting in het Hongaarsche comitaat Somogv, ligt aan de Almas en aan een spoorweg, bezit een aantal kerken, een Franciscaner klooster, een stoommolen, een gedenkteeken ter eere van Zrinyi, een rechtbank en (1901) 5601 inwoners. Szigetvar is bekend geworden, doordat Zrinyi er den 88ten September 1566 tegen de Turken den heldendood stierf. Op de plaats, waar hij gevallen is. staat een votiefkapel.

Szigligeti, Edmrd, eigenlijk Joseph Szatmary, een Hongaarsch tooneeldichter, geboren den 18den Maart 1814 te Groszwardein, vormde zich te Boedapest tot ingenieur, maar betrad in 1834 te Ofen het tooneel en werd daarna secretaris en regisseur van den nationalen schouwburg te Boedapest. Hij heeft van 1834 tot 1872 omstreeks honderd tooneelstukken geschreven, waarvan vele door de Academie zijn bekroond. Hij maakte zich inzonderheid verdienstelijk door het leveren van Hongaarsche volksstukken, waarin hij het leven derMagyaren voorstelten Magyaarsche volksliederen op het tooneel brengt. Daartoe behooren bijv.: „De deserteur", „Twee pistolen", „De Jood", „De Csikos", enz. Zijn tooneelstukken behooren nog tot het repertoire van het Hongaarsche tooneel. Hij heeft vele bijdragen geleverd tot de geschiedenis van het Magyaarsch tooneel, alsmede een dramaturgie (1874). Hij werd lid van de Hongaarsche Academie, van het Kisfaludygenootschap en sedert 1873 van de directie van den nationalen schouwburg. Hij overleed den 20sten Januari 1878.

Szilagy, een in 1876 gesticht comitaat in Hongarije, omvat de voormalige comitaten Midden-Szolnok en Kraszna, benevens een gedeelte van de comitaten Koloczs en Doboka. Het is omgeven door de comitaten Szatmar, Szolnok-Doboka, Klausenburg ■en Bihar, besproeid door de Szamso en de Kraszna en

XIV

telt op 3818 v. km. (1900) 207 293 inwoners. De hoofdplaats is Szilagy-Somlyo.

Szilag-yi, Desiderius, een Hongaarsch staatsman, geboren den lsten April 1840 te Groszwardein, studeerde te Weenen en te Boedapest in de rechten, vestigde zich in laatstgenoemde plaats als advocaat, hield zich daarnaast ook met de journalistiek bezig, werd in 1867 secretaris bij het ministerie van Financiën, waar hij weldra tot hoogere waardigheden opklom. Door toedoen van minister Horvath deed hij een studiereis naar Engeland. In 1871 werd hij lid van het Huisjvan Afgevaardigden, in 1874 hoogleeraar in het strafrecht en de politiek te Boedapest. Tot 1877 behoorde hij tot de regeeringspartij, daarna behoorde hij met graaf Apponyi tot de leiders van de vereenigde linkerzijde, scheidde zich in 1886 af en hield zich gedurende eenigen tijd buiten de partijen, doch keerde later tot de liberale regeeringspartij terug. In 1889 werd hij in het ministerie Tisza minister van Justitie, behield deze portefeuille onder het ministerie Wekerle en werd onder Banffy president van het Huis van Afgevaardigden, welke betrekking hij in 1898 neerlegde. Hij ijverde voor een betere positie van de rechterlijke ambtenaren, voor de reorganisatie van de rechtbanken en voor de invoering van het burgerlijk huwelijk. Hij overleed den 31eten Juli 1901 te Boedapest.

Szlavy van Orkany, Joseph, een Hongaarsch staatsman, geboren te Raab, den 23sten November 1818, trad, na voleindiging van zijn studiën aan de mijnacademie te Schernnitz, in staatsdienst, werd bij de Hongaarsche Hofkamer te Ofen geplaatst en werd in 1848 door Kossulh belast met het beheer van de mijnen in Oravicza. Hier werd hij na de revolutie in hechtenis genomen, door de militaire rechtbank te Temesvar tot 5 jaar vestingstraf in boeien veroordeeld en bracht 2 jaar in Olmiitz door. Daarna werd hij in vrijheid gesteld en leefde ambteloos bij afwisseling te Preszburg en op zijn landgoed te Almosd in het comitaat Bihar. In 1861 werd hij raad van het stadhouderschap, in 1865 oppergespan van het comitaat Bihar, in 1867 staatssecretaris bij het ministerie van Binnenlandsche Zaken, na het aftreden van graaf Miko minister van Koophandel en in 1872 eerste minister, welke waardigheid hij echter slechts weinige maanden bekleedde. Den 1»*™ April 1879 werd hij president van het Hongaarsche Huis van van Afgevaardigden, den 8sten April 1880 minister van Financiën in Oostenrijk-Hongarije en in 1882 beschermer van de Hongaarsche kroon. Van 1894— 1896 was hij president van het Hoogerhuis. Hij overleed den 9dcn Augustus 1900 te Zsitva-Oejfaloe.

Szög-yenyi-Marich, Ladislaus, een Hongaarsche staatsman, geboren den 2aeD Januari 1806 te Boedapest, werd in 1832 bij do Hongaarsche hofkanselarij geplaatst, was van 1845—1847 vice-president van de Hongaarsche stadhouderij en vervolgens hofvicekanselier. In 1859 werd hij lid van den Oostenrijkschen Rijksraad en werkte als zoodanig tegen het absolutisme en voor het herstel van de Hongaarsche grondwet. In 1860 werd hij tot vicepresident van de herstelde Hongaarsche hofkanselarij benoemd, nam echter na de ontbinding van den Hongaarschen Rijksdag in 1860 zijn ontslag. Van 1867 —1883 was hij oppergespan van het comitaat van Stuhlweiszenburg. Verder was hij gem^tigdoud-conservatief lid van het Huis der Magnaten en werd in 1875 tweede en in 1883 eerste president van

52

Sluiten