Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wouw-theorie), en de t h e o r i e Van d e natuurklanken, volgens welke subjectieve klanken, die de mensch het eerst toevallig uitstootte met datgene, wat met de klanken vergezeld ging, geassocieerd werd. Ook bestaan er combinaties van verschillende theorieën. Tegenwoordig legt men vooral den nadruk op de geleidelijke ontwikkeling van de taal en gaat van het beginsel uit, dat men geen bepaald punt in deze ontwikkeling aangeven kan, waar de naam taal, in tegenstelling met de voorafgaande ontwikkeling, op zijn plaats is.

In het algemeen kan men zeggen, dat de menschelijke taal als een bepaalde wijze van uitdrukking voortgekomen is uit al de verschijnselen, waardoor het dierlijk leven tot uiting komt. Een werkelijke kloof tusschen mensch en dier is met betrekking tot de taal niet aanwezig, het is alleen de vraag, hoe de aan den mensch eigen wijze van uiting tot taalklanken en deze langzamerhand tot abstracte symbolen van den inhoud van een gedachte zijn geworden. Tot de den mensch eigen wijze van uiting behoorde oorspronkelijk niet alleen en waarschijnlijk niet in de eerste plaats de uiting door klanken, maar de uiting door middel van gebaren (zie aldaar). De klank zelf was dan ook waarschijnlijk niet de hoofdzaak, maar de bewegingen van de articulatieorganen, die een onderdeel vormden van de mimische bewegingen, die een gevoel of een voorstelling uitdrukten. Waarschijnlijk waren de taalklanken oorspronkelijk alleen een gevolg van de klankgebaren, en werden zij eerst langzamerhand, onder invloed van het voortdurend samenleven van de menschen zelfstandige uitdrukkingen, zoodat zij meer en meer de gebaren konden missen. Zoodra de tusschen een klank en een begeleidend verschijnsel aanwezige betrekking den mensch bewust werd, kreeg de vorming van klanken een geheel andere beteekenis; zij kon toen een opzettelijke uitdrukking van gevoelens of gedachten worden. Daardoor wordt de geheele ontwikkeling, die wij taal noemen, een aaneenschakeling van processen, waarin zich de geestelijke ontwikkeling van den mensch niet alleen afspiegelt, doch waarvan zij tegelijkertijd een belangrijk deel uitmaakt.

De taal van het kind ontstaat tengevolge van het vermogen tot spreken, dat in hem sluimert, en door den invloed van de sprekende omgeving. Zijn eerste klanken zijn eveneens gevoelsuitingen, die het onbewust, zonder de bedoeling mede te deelen, voortbrengt. Vervolgens bootst het de geluiden van de volwassenen na, echter zonder ze te begrijpen. Langzamerhand ontstaat een associatie tusschen klank en begrip en tracht het kind bij het bewust worden van het begrip de klanken te vormen. Wanneer het zoover is, is het belangrijkste deel van het leeren spreken afgeloopen, ofschoon het klankmateriaal van het kind aanvankelijk zeer klein is, de nabootsing onvolkomen en de opvatting van de beteekenis van een woord gebrekkig. De taal van een mensch verandert voortdurend, evenals die van een geheele taalgemeenschap. Dit is een gevolg daarvan, dat zij niet iets is, dat boven en onafhankelijk van de menschen bestaat, doch een uitvloeisel van de voortdurende taalkundige wisselwerking van de taalgenooten. Bij onbeschaafde volken geschiedt de verandering sneller dan bij beschaafde, waar de ontwikkeling tegengegaan wordt door het vastleggen van de taal. Geschreven taal, en in dennieuweren

tijd vooral de boekdrukkunst, vormen hiervoor een machtigen factor. Wanneer een volk tot een zekere beschaving is gekomen, ontwikkelt zich uit en naast de gewone spreektaal de schrijftaal. Spreektaal en schrijftaal oefenen voortdurend invloed op elkander uit. In het algemeen houdt het meer beschaafde deel van het volk zich meer aan de schrijftaal, terwijl de oude taalvormen in de lagere klassen als dialect blijven leven. De dialecten wijzigen zich sneller dan de schrijftaal, zij ontwikkelen zich echter evenmin vrij, daar de verschillende volkslagen voortdurend met elkander in aanraking komen.

Overal in de wereld kan men waarnemen, hoe aan den eenen kant dialecten en talen, die overeenkomst vertoonen, door hun ontwikkeling langzamerhand grootere verschillen verkrijgen, terwijl aan den anderen kant talen, die oorspronkelijk sterk verschilden, tot elkander naderen. Wanneer bijv. het verkeer tusschen verschillende taalgemeenschappen minder wordt of ophoudt, zullen do talen meer en meer van elkander gaan afwijken. Een toenadering tusschen verschillende talen ontstaat, wanneer de volken op vriendschappelijken weg of door overheersching van het eene volk met elkander in aanraking komen. Zoo was de Noorsche taal omstreeks 500 nog tamelijk gelijkvormig, na dien tijd ontstonden de Zweedsche, Noorsche, IJslandsche en Deensche dialecten. In en buiten Italië bestonden vóór de Romeinsche overheersching een aantal dialecten, die door de taal van het oude Rome werden verdrongen. In het algemeen heeft de toenemende beschaving meer talen door nivelleering vernietigd, dan door specialiseering nieuwe talen doen ontstaan)

Dikwijls is de vraag gedaan, hoeveel levende talen er wel zijn. Adelung stelde dit aantal op 3000, nieuwere schattingen bewegen zich tusschen 900—1600, in den laatsten tijd gaf een Fransch geleerde een berekening, volgens welke er 860 talen met ongeveer 6000 dialecten zouden zijn. Deze vraag is echter niet te beantwoorden, niet alleen, omdat wij met de talen van vele onbeschaafde landen weinig of niet bekend zijn, maar vooral ook omdat de grens tusschen taal en dialect en dialect en individueele taal niet te trekken is. Wel bestaan dikwijls tusschen naburige talen scherpe grenzen, dikwijls echter gaan, vooral wanneer er van echte volkstaal sprake is, talrijke variëteiten van de een taal onmerkbaar in die van de andere over. Wanneer men een taalindeeling geeft, gaat men uit van het ontstaan van de talen en vereenigt zulke tot grootere of kleinere groepen, die een gemeenschappelijken oorsprong hebben. In streken, die reeds lang door cultuurvolken bewoond zijn en daardoor reeds vroeg een schrijftaal gekregen hebben, is het aantal talen minder groot dan in streken, die een latere beschaving ontvingen. In Europa, waar men 63 groepen onderscheidt, is het taalverschil het geringst, in Amerika het grootst. In het algemeen onderscheidt men thans 10 groote taalstammen, n. 1. de groep van de eenlettergrepige talen in Zuid-Oost-Azië (Indo-Chineesche taalstam), de Maleisch-Polynesische stam, de Dravidatalen in Zuid-Voor-Indië, de Oer-Altaïsche stam, de Bantoetalen (Zuid-Afrikaansche taalstam), de HamitoSemietische stam, de Indo-Germaansche stam, de Amerikaansche stam, de Australische stam en de Mon-Annamtalen in Achter-Indië. Buitendien zijn I er nog een aantal geïsoleerde talen en kleinere taal-

Sluiten