Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met een inhoud van 27 521 ton de haven binnen. Tabago werd in 1498 door Columbus ontdekt. Van 1632 —1677 was het een bezitting der Nederlanders en behoorde vervolgens bij afwisseling aan de Franschen en Engelsehen, totdat het in 1803 voor goed aan Engeland werd toegekend.

^'Tabak (Nicotiana L.; zie de platen) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Solanee'én. Er komen ongeveer 40 soorten voor in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, 3 op de Soendaeilanden, 1 in Australië en eenige op de eilanden van den Grooten Oceaan. Meestal zijn het kleverig-behaarde kruiden en halfheesters, veelal met vertakten stengel, verspreide, gaafrandige bladeren, eindstandige bloemtrossen of pluimen, trechter- of schotelvormige bloemen en droge, tweehokkige, door den overblijvenden kelk omgeven doosvruchten met een groot aantal kleine zaden. De gewone Virginiatabak (N. Tabacum L.) wordt l1/2—:2 m. hoog, is met klieren bezet, behaard, kleverig, heeft zittende, langwerpig-lancetvormige, toegespitste bladeren, waarin de zijnerven onder scherpe hoeken van de middennerf uitgaan en een uitgespreide pluim van lichtroode, buisvormige bloemen. Hiertoe behooren verschillende soorten, zooals de boomknaster (N. fru-

Gewone tabak.

Boerentabak.

ticosa L.), de Nederlandsche Amersfoortsche tabak, de Duitsche of landtabak en waarschijnlijk ook de grootbladerige Marylandtabak (N. Tabacum macrophyllum Dun.), die zich van de gewone Virginiatabak onderscheidt door breedere, stompe, stengelomvattende, zittende bladeren, wier zijnerven nagenoeg rechthoekig van de middennerf uitgaan, alsmede door de meer gedrongen bloeiwijze. Deze plant komt vooral voor in Middel-Amerika, Hongarije en Turkije. De boerentabak (N. rustica L.) wordt 60—120 cm. hoog, is met klieren en korte haren bezet en kleverig, heeft een min of meer vertakten stengel, ovale, boven zittende en onder gesteelde, geribde bladeren en groenachtig gele, tot pluimen vereenigde bloemen met korte buizen. Zij komt voor in Mexico, Zuid-Amerika, Zuid-Europa, West-Azië en Afrika. Verschillende soorten en variëteiten komen als sierplant voor (zie Nicotiana).

De grootste hoeveelheid tabak voor het verbruik wordt door de Vereenigde Staten van Noord-Amerika verbouwd, Kentucky, Noord-Carolina en Virginia leveren tezamen % van de geheele tabaksoogst. In Europa is tegenwoordig de Sumatratabak wegens haar groote bladeren en zuivere kleur vooral

voor dekbladen van sigaren het meest gezocht.

De tabak groeit in den regel nog in die streken, waar de wintertarwe in het eerste derdedeel 'der maand Augustus rijp wordt; goede tabak vereischt echter het klimaat van den wijnstok, en de fijnste soorten worden verbouwd tusschen 15en35°N.Br.De beste gronden voor tabak zijn kalkhoudende of mergelachtige leemgronden, vermengd met zand, die veel humus bevatten en de warmte spoedig opnemen. Voor donkere, zware soorten zijn meer teemachtige gronden, voor lichtere en lichtgekleurde soorten zandige gronden het meest geschikt. Ook een vruchtbare, kalkachtige mergelgrond is geschikt voor tabak, mits hij zeer warm gelegen zij. Naar het zuidoosten gekeerde heuvelhellingen zijn zeer aan te bevelen. Aan de tabak laat men klaver, luzerne of iets dergelijks voorafgaan; zij kan daarop gedurende twee of meer achtereenvolgende jaren geteeld worden, en levert zelfs in het tweede en derde jaar een fijnere soort dan in het eerste. Een groote vochtigheid van den bodem bevordert de grootte van de bladeren, doch vermindert de kwaliteit. De tabak onttrekt aan den bodem aanmerkelijke hoeveelheden kali, kalk en phosphorzuur, ook heeft zij veel stikstof noodig, door chloorverbindingen heeft zij veel te

lijden. Uompost, stalmest met zwavelzure kali, zwavelzuren ammoniak of Thomasslakken leveren als meststoffen goede resultaten.Voor rooktabak en dekbladen werkt groenbemesting of het onderploegen van klaver met het opbrengen van stalmest in den herfst het gunstigst, gevolgd door diepploegen in den naherfst. Het land moet bewerkt worden met dezelfde zorg, die men aan den tuinbouw besteedt. De jonge planten worden eerst in kweekbedden gepoot; in een gematigd klimaat wor¬

den deze met een laag paardenmest van een voet dikte bemest. Men zaait in Maart,verpoot de krachtigste plantjes 21/2—5 cm. van elkander op tuinbedden en brengt ze in het begin van Juni met 6 of 7 bladeren op den akker.Men plaatst ze mettusschenruimten van 60 cm. in rijen, die 50 cm. van elkander verwijderd zijn en laat telkens na twee rijen een pad open. Op een H.A. rekent men 18000 of 24000 planten. Als de planten aan het groeien zijn, begint men met het schoffelen en aanaarden. Zoodra de bloempluim zich ontwikkelt, wordt deze weggesneden of, zooals men het noemt, de plant getopt. Ook de overtollige bladeren worden weggenomen, daar gemiddeld bij zware soorten niet meer dan 14, bij lichte soorten 18 bladeren zich moeten ontwikkelen. Later verwijdert men ook de zijloten uit de bladoksels. Wanneer de tabak omstreeks 3 maanden op het land heeft gestaan, zijn de bladeren rijp; zij worden dof, geel gevlekt en kleverig en verkrijgen een doordringenden geur. In dien toestand oogst men eerst de voor dekbladen, daarna de voor de pijp bestemde tabak, deze laatste eerst, wanneer de randen der bladeren beginnen om te krullen. Het gewicht neemt weliswaar daardoor af, maar de tabak is fijner. Bij het oogsten

Perzische tabak.

Chineesche tabak.

Sluiten