Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neemt men eerst de onderste bladeren (zandgoed) weg, daarna de volgende (aardgoed) en eindelijk de bovenste (bestgoed). Bij goed weder knikt men de bladeren en haalt ze den volgenden dag weg. Daarna droogt men ze in luchtige schuren of ook door middel van stoom. Volgens de methode van Holzschuher haalt men de geheele planten van den akker, nadat men ze eenige dagen te voren zoo ver aangesneden heeft, dat zij omvallen, en men hangt ze met gespleten stengels in de droogschuur. De opbrengst beweegt zich tusschen 900—2000 kg. van 1 H.A. Behandelt men de uitloopers van den stam op dergelijke wijze als den eersten oogst, dan leveren deze ook nog een zekere hoeveelheid tabak, maar van veel geringere kwaliteit. De gedroogde en gesorteerde bladeren bindt men in bossen en vlijt ze vóór de gisting op lange, alleenstaande hoopen ter breedte en hoogte van ll/i tot 11/2 m. Heeft zich daarin een voldoende hoeveelheid warmte ontwikkeld, dan zet men de hoopen om, zoodat de binnenste bossen aan de buitenzijde komen te liggen. Dit wordt herhaald, totdat de bladeren geheel en al verschrompeld zijn en een min of meer donkerbruine kleur en den eigenaardigen tabaksreuk hebben verkregen. Daarna worden de broeihoopen afgebroken en de vochtige bossen of bundels op droogbanken geplaatst. Door de gisting worden sommige stikstofverbindingen, die bij de verbranding een onaangenamen reuk verspreiden, vernietigd en welriekende verbindingen te voorschijn geroepen. Daartoe werken verschillende soorten splijtzwammen mede. De kwaliteit van de tabak hangtgedeeltelijk afvan de splijtzwammen,diebij een bepaalde soort de gisting bewerken. In Amerika handelt men meestal op een andere wijze. Daar wordt de rijpe plant dicht bij den bodem afgesneden en soms nog denzelfden dag in de droogkamer opgehangen* waar door een regelmatig toenemende verwarming de gisting wordt bewerkt. De tot dekblad bestemde bladen worden bij een voldoenden graad van vochtigheid zorgvuldig gladgestreken, in kleine stapels op elkander gelegd en geperst. De fijnere soorten worden ook wel ontdaan van de middennerf door het blad langs deze weg te scheuren en alzoo in twee helften te verdeelen. De nerven dienen tot bereiding van snuif, van een goedkoope soort van tabak, of tot vulsel van sigaren.

De soorten van tabak, welke in den handel voorkomen, ontleenen eensdeels haar naam aan het land, waar zij groeien, anderdeels aan de soort van blad. Naast Amerikaansche soorten komen vooral de voortbrengselen van het Oosten en van Insulinde voor de wereldmarkt in aanmerking. Tot de meest bekende Noord-Amerikaansche soorten behooren die van Maryland, een algemeen geliefde rooktabak, waartoe de baaitabak behoort, die van Virginia, die voor fijne snuiftabak en voor middelzware rooktabak wordt gebruikt en de tabak van Kentucky. In Zuid-Amerika komen vooral Mexico, dat de San Andrestabak naar Havanna, Bremen en Hamburg uitvoert, Cuba, dat een aantal soorten, waaronder de beroemde Havanna of Vuelta abajo, verbouwt, Columbia met de soorten carmen en giron, terwijl de vroeger als dekblad bekende ambalema door de Sumatratabak verdrongen is en Brazilië, waar de staat Bahia 11 soorten uitvoert. De Oostersche of Turksche tabak, kenbaar aan haar kleine bladeren en gele kleur, wordt niet alleen in Europeesch Turkije, doch ook in Griekenland en Klein-Azje ver¬

bouwd. Zij is van een uitstekende kwaliteit en wordt voornamelijk tot vulsel en sigaretten gebruikt. Nederlandsch Oost-Indië kweekt drie hoofdsoorten n.1. op Sumatra, Java en Borneo (vooral in het Engelsche gedeelte). De tabaksbouw van Sumatra heeft zich in het laatst van de 19de eeuw kolossaal ontwikkeld. Men onderscheidt aldaar 16 soorten (zie voor den tabaksbouw in Nederlandsch OostIndië de artikelen Insulinde, Sumatra en Java). De Philippijnen leveren goede tabak in de provincies Isabella en Cagayan op Lu (jon, waarvan de manillasigaren vervaardigd worden. De Europeesche tabak, uitgezonderd de Turksche, is voor de wereldmarkt van minder belang, evenals de tabak van Perzië, Voor-Indië, China en Japan. Frankrijk levert in 18 departementen tabak, die tothet maken van snuif en ook tot rooktabak dient, het ontvangt verder veel tabak uit Algerië. In de Oostenrijksch-Hongaarsche Monarchie wordt tabak verbouwd in Tirol, Galicië, doch vooral in Hongarije op den linker oever van de Theisz. De Hongaarsche tabak is dun, zacht en geel van blad en wordt zoowel voor de pijp als tot het vervaardigen van sigaren en van snuiftabak gebezigd. In ons land bestaat tabaksbouw in de provinciën Utrecht en Gelderland, de Amersfoortsche wordt voor de beste gehouden, de Belgische is minder goed dan de Nederlandsche. In Duitschland bloeit de tabakscultuur in de Palts, vanwaar de opbrengst hoofdzakelijk verzonden wordt naar sigarenfabrieken in Bremen, Hamburg, Nederland en elders. In Engeland verbouwt men geen tabak.

Tabaksbladeren hebben een narcotischen geur en een walgelijken, bitteren smaak. De droge bladeren bevatten gemiddeld 17 % anorganische stoffen, de asch bestaat uit 29,1 % kali, 3,2 % natron, 36 % kalk, 7,4 % magnesia, 2 % ijzeroxyde, 6 % zwavelzuur, 5,8 % kiezelzuur, 6,7 % chloor en 4,7 % phosforzuur. Het stikstofgehalte bedraagt 4y2 %. De basen zijn grootendeels met organische zuren verbonden en de brandbaarheid van de tabak hangt af van het bedrag aan organische kalizouten. Het werkzame bestanddeel der tabaksbladeren is de nicotine (zie aldaar), welke men in verschillende hoeveelheden in het tabaksblad aantreft, terwijl haar gehalte niets schijnt af te doen tot de deugdelijkheid van de tabak. Wel vindt men het grootste gehalte gewoonlijk in de geringere soorten, doch de hoeveelheid schijnt afhankelijk van de bereiding der bladeren. Het droge blad bevat bij Virginia 4,80 %, Kentucky 4,50, Sumatra 4,10, Seedleaf 3,70, Havana 1,9—3, Brazilië 1,14—2,78, Samsoun 2,51, Elzasser 0,92—1,91 en Maryland 1,26 % nicotine. Pijptabak is armer aan nicotine dan sigarentabak. De bladeren bevatten 8—10 % cellulose, de gegiste tabak meer, zetmeel en suiker worden door de gisting ontleed. Verder vindt men in de tabak nicotianine, appel- en citroenzuur, hars, gom, eiwit enz. Droge gegiste bladeren bevatten als gistingsproducten ammoniak en trimethylamine.

Technische behandeling (Tabaksfabricage; zie de plaat). Voor rooktabak worden de bladeren, welke naar gelang van afkomst, klimaat, bodem en behandeling aanmerkelijk onderling verschillen, gesorteerd en voor het gebruik op een doelmatige wijze vermengd ; geringere soorten verbetert men door zejaren lang bij een flauwe gisting te bewaren; somtijds worden zij met water, kalkwater, ammoniak, asch of met water, waarin zoutzuur is opgelost, uitgeloogd.

Sluiten