Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONZE STAATSREGELING

HOOFDSTUK III.

De organen der wetgevende en uitvoerende macht.

Punt 2.

De organen der uitvoerende macht.

In het eerste deel bespraken wij breedvoerig de organen der wetgevende macht n. 1. den koning en de Staten-Generaal, in eene Eerste en Tweede Kamer onderscheiden. Tevens gingen wij na, welk aandeel het departement van algemeen bestuur, de Ministerraad en de Raad van State in de wetgevende macht, den koning en den Staten-Generaal toekomende, hebben. Thans zijn wij tot de organen der uitvoerende macht genaderd. „De uitvoerende macht berust bij den koning" (art. 55), die in de uitoefening van die macht door de ministers, hoofden van departementen van algemeen bestuur, wordt ter zijde gestaan (art. 77). Zijn de wetten des lands openbaringen van de wetgevende macht, aan koning en Staten-Generaal geschonken; — de uitvoerende macht uit zich door koninklijke besluiten, welke in twee klassen onderscheiden worden:

le. Koninklijke besluiten van algemeenen en blijvenden aard meestal „algemeene maatregelen van bestuur" genoemd, en:

2e. Koninklijke besluiten in engeren zin, bijzondere gevallen regelende, meestal door den naam: „koninklijke besluiten" zonder meer aangeduid.

le. „Door den koning worden algemeene maatregelen van bestuur vastgesteld", zegt art. 56. „Eene wet" — zegt Feenstra — kan niet altijd in allerlei bijzonderheden treden, zoodat zij meestal het onderwerp, waarop zij betrekking heeft, slechts in hoofdtrekken regelt. Vandaar dat menige wet, om in praktijk te kunnen worden gebracht, aanvulling noodig heeft. De regeling van bijzonderheden, welke voor aanvulling en nadere uitwerking eener wet gewoonlijk noodig is, wordt aan den koning overgelaten. Een koninklijk besluit,

Sluiten