Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

len weergegeven worden. Door een sterken magneet langs den draad te voeren, wordt het gesprokene uitgewischt; de draad kan daarna opnieuw gebruikt worden. Bij die nieuwe telefonografen is de staaldraad vervangen door een stalen cylinder; bij die in den vorm. van een grammofoon wordt het gesprek in een stalen schijf van 13 cm. middellijn en 0,5 cm. dikte gemagnetiseerd. Deze schijven kunnen alsdan verzonden en het gesprokene met behulp van een gelijksoortige telefonograaf weergegeven worden. Het instrument doet dienst als dicteertoestel en, in verbinding met een telefoon, om gesprakken woordelijk op te schrijven.

Telefoon (Grieksch = vèrspreker; zie de platen) is de naam van een toestel tot het voortplanten van geluiden, in het bijzonder van gesproken woorden, door middel van een galvanischen stroom. De eerste telefoon werd vervaardigd in 1861 door Philipp Reis te Friedrichsdorf bij Homburg. Deze toestel bestaat uit een vlies of membraan, over eene ronde opening in het deksel van een houten kastje gespannen en in het midden voorzien van een platinaplaatje; hiertegen rustte een platina stift, welke aan een bladveer bevestigd was. Komt door geluidgolven de membraan in beweging, dan wordt de verbinding tusschen de platinastift en het platinaplaatje (en dus ook een er door heen loopende galvanische stroom) door de trillingen van het vlies beurtelings afgebroken en hersteld. De ontvanger bestond uit een ijzeren staafje, omwikkeld met geïsoleerd koperdraad en op een klankbodem bevestigd. De uiteinden van den koperdraad waren, onder inschakeling van een batterij, met de beide genoemde platina deelen verbonden. Door de stroomonderbrekingen, als gevolg van het spreken tegen den menbraan, werd het ijzeren staafje evenveel malen gemagnetiseerd en geöntmagnetiseerd, waardoor het in longitudinale trillingen geraakte, die, door den klankbodem versterkt, als tonen hoorbaar werden.

De eerste praktische bruikbare telefoon werd in 1875 door den Amerikaan Bell geconstrueerd. De voornaamste deelen van den toestel van Bell (PI. II, fig. 1) zijn: een staafmagneet A met daarop geschroefden weekijzeren poolschoen aen een draad,klosB,die den poolschoen omgeeft en uit vele windingen van dun, met zijde geïsoleerd koperdraad bestaat. De uiteinden van dezen draad eindigen indeklemscliroeven D. Vóór den staafmagneet bevindt zich een weekijzeren plaat pp van ten hoogste 0,5 mm. dikte. Deze deelen zijn opgesloten in een houten omhulsel, dat door de spreek- of hoorschelp J is afgesloten. Van de klemschroeven DD loopen draden naar even zoovele klemschroeven van de zich op eenigen afstand bevindende gelijksoortige telefoon. Haar werking berust nu hierop: door geluidsgolven, bijv. van de merschelijke stem, wordt de weekijzeren plaat in trilling gebracht. Daardoor treden in den magnetischen toestand van den staafmagneet veranderingen op, die op haar beurt wisselstroomen in den draadklos B doen ontstaan, door de geleiding planten deze zich naar den draadklos van de verwijderde tebfoon voort. Hier veroorzaken zij veranderingen in den magnetischen toestand van den staafmagneet, welke de weekijzeren plaat van de ontvangende telefoon op dezelfde wijze, zij het ook zwakker dan die van de eerste telefoon, doen trillen. Deze trillingen planten zich in de lucht voort en worden hoorbaar.

Het aantal soorten van telefonen is zeer groot. Toch zijn de meeste slechts in den vorm van die van Bell verschillend, terwijl andere, zooals de hydrotelefoon, de electrofoon enz. wel is waar op andere grondslagen berusten, maar slechts geschiedkundige en geen praktische beteekenis hebben. Een wezenlijke verbetering bereikte men door den overgang van de eenpolige telefoon van Bell op de tweepolige, waarbij de beide polen van den magneet op de membraan werken. Intusschen wordt de telefoon in den aangegeven vorm nog slechts zelden als afzender gebruikt, maar is zij voor dat doel door het mikrofoon, in 1878 door Hughes uitgevonden, vervangen.

In zijn eenvoudigsten vorm (PI. II, fig. 2) bestaat dit uit twee blokjes van retortenkool C en C1, die bevestigd zijn aan één van twee onderling loodrechte klankplankjes A en B. Tusschen deze beide blokjes C en C1 bevindt zich, door groeven daarin op zijn plaats gehouden, een toegespitst koolstaafje d. De aanraking tusschen d en C en C1 kan door bewegingen van d meer of minder innig worden. De blokjes C en C1 zijn nu door geleidingsdraden met een telefoonklos van Bell verbonden; bovendien is in den stroomloop een batterije opgenomen. Door tegen het trilplankje B te spreken, ontstaan nu in de contactplaatsen van d met C en C1 veranderingen in den weerstand, die overeenkomen met de geluidsgolven, en dientengevolge in den stroomloop veranderingen van de stroomsterkte. Deze veroorzaken correspondeerende veranderingen in den magnetischen toestand van den magneet in den telefoonklos, waardoor zijn membraan in trilling gebracht wordt op een wijze, die overeenkomt met die van het trilplankje, welke trilling, door overgang in de lucht, hoorbaar wordt. Het mikrofoon is buitengewoon gevoelig. Terwijl men het bovendien, om zijn werking te versterken, in een localen stroomloop, welke de primaire vinding van een inductieklos bevat, schakelt; de secundaire winding ligt dan in de leidirg. De veranderingen in stroomsterkte in den loeakn stroomloop veroorzaken dan wisselstroomen in (Je leiding.

Het aantal soorten van mikrofonen is buitengewoon groot. Men onderscheidt contact- en poedermikrofonen. Tot de oudere contactmikrofonen behooren dat van Blake, vroeger veelvuldig in gebruik, met een contact, bestaande uit een stukje platina en kool, beide bevestigd aan een bladveer; het mikrofoon van Ader, waarbij zich tusschcn 3 blokjes kool

5 evenwijdige rijen van 2 koolstiften bevinden, enz. Nadat echter het telefoonverkeer zich over grootere afstanden begon uit te strekken, heeft men bijna zonder uitzondering het koolkorrelsmikrofoon ingevoerd. Ook daarvan zijn weer verschillende soorten in gebruik o. a. dat van Siemens & Halske, van Mix

6 Genest, Stonk & CoJ. Berliner enz. Bij alle worden tusschen platen, klossen of cylinders van kool, die met verdiepingen, ribbels en pyramidenvormige punten van verschillende afmetingen zijn voorzien, korrels kool opgesloten, die door een zak van zijde, een ring van wol of vilt of door een bar.d bij elkander gehouden worden. In figuur 3 is het koolkorrelmikrofoon van Mix & Genest afgebeeld. Tusschen den membraan m en den klos k, beide van retortenkool, worden de koolkorrels g door den ring f bijeen gehouden. De schroef S werkt op de veer n, waarmede de wollen prop p1 tegen den membraan m gedrukt wordt. Zij dient om de eigen trillingen daarvan te dempen. Worden nu met a en a1 de polen vau een

Sluiten