Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

batterij verbonden, dan gaat de stroom van a over e, den bout o, n1, n, k, g, m, M1 en K naar de klemschroef a1. Tot de poedermikrofonen behooren die van Edison en Carbonelle.

Voor onderzeesche telefonen zijn de genoemde mikrofonen ontoereikend. De oorzaak ligt hierin, dat men slechts geringe stroomsterkten gebruiken kan, omdat anders de kooldeeltjes op de contactplaatsen verbranden. Egner en Halmström hebben nu in den laatsten tijd een mikrofoon geconstrueerd, waarmede men, onder inschakeling van ongeveer 50 km. onderzeekabel, over afstanden als van Stockholm naar Parijs kan telefoneeren. Het is ongeveer driemaal zoo groot als de gewone mikrofonen, terwijl men er stroomsterkten van 1—6 ampères in gebruiken kan. De verhitting van de mikrofoon-electroden wordt opgeheven door de aanwezigheid van een reservoir met parafine, dat, door te smelten, de warmte aan de electroden onttrekt. Verder zijn deze omgeven met een isoleerende stof, om de veranderingen in weerstand, die door de trillingen der geluidsgolven worden veroorzaakt, zooveel mogelijk tot uitdrukking te brengen. Intusschen is aan het gebruik van zoo groote stroomsterkten- het nadeel verbonden, dat de leidingen, die in elkanders nabijheid liggen, een induceerenden invloed op elkaar uitoefenen, terwijl er onaangename nevengeluiden in ontstaan. Vermelding verdient nog de „Electrophone Transmitter", een mikrofoon, die zóó is ingericht, dat bijv. een redevoering door de journalisten op een redactiebureau rechtstreeks gehoord kan worden; tusschen Sheffield en Londen, over een afstand van 240 km., heeft dezJ toestel aan de verwachtingen beantwoord.

Bij de toepassing van de telefoon als openbaar verkeersmiddel moet ieder, die er gebruik van wil maken, een toestel, waarin telefoon, mikrofoon en schel vereenigd zijn, in huis hebben. De installatie zelf moet verder voldoen aan deze voorwaarden: iedere aansluiting moet snel en gemakkelijk en door zoo weinig mogelijk ambtenaren tot stand zijn te brengen en weder op te heffen; men moet beschermd zijn tegen het gevaar van bliksem en te hooge spanning ; eindelijk moet het mogelijk zijn om na te gaan of de deelnemers elkander verstaan en hoe lang zij met elkander spreken. Daartoe bevindt zich op het telefoonbureau een schakelbord, bestaande uit een verzameling van stopcontacten, die het mogelijk maken, om door het insteken of uittrekken van een metalen stop een gevraagde verbinding tot stand te brengen of te verbreken, alarmseinen, gevormd door gloeilampjes enz., waarmede degene, die een verbinding wenscht, den dienstdoenden beambte waarschuwt, vraagtoestellen, bestaande bijv. uit een voor de borst gedragen mikrofoon (PI. II, fig. 4) met een door een beugel tegen het oor gehouden telefoon, verbindingsapparaten, dat zijn buigzame geleiders aan wier einde de stop van het stopcontact is bevestigd, en afbeltoestellen, die het einde van een gesprek aangeven. Bovendien zijn inrichtingen tegen bliksembeveiliging, bijv. koolbliksemafleiders, verzekeringen, die bij den doorgang van te hooggespannen stroomen terstond smelten, waarvoor men dunne draden van rheotaan of van de legeering van Wood gebruikt, stroombronnen voor de talrijke mikrofonen enz. noodig.

Het omschakelsysteem, dat is het geheel van alle toestellen van het centraal bureau, bestaat nu bij

weinige aansluitingen uit enkelvoudige omschakelaars. D? beambte verbindt telkens de leiding van den opb?ller met die van den opgebelde. Bij iederen deelnemer is, behalve een mikrofoon, telefoon en schel een stroombron om op te bellen, welke gewoonlijk uit een cylinder inductor bestaat, die met behulp van een krukje gedraaid wordt. Plaat I fig. la geeft een afbeelding van den geheelen toestel. Voor kantoren geeft men den toestel dikwijls een eenigszins anderen vorm, waardoor hij op tafel kan geplaatst worden. Telefoon en mikrofoon zijn dan in één houder vereenigd (Plaat I fig. li). Bij talrijke aansluitingen zou deze wijze van verbinden te omslachtig worden. Men neemt daarom zijn toevlucht tot veelvuldige omschakelaars, waarbij één beambte, de bij het telefoonnet aangesloten personen, welke hij bedienen moet, met alle andere verbinden kan zonder de hulp van een tweeden beambte. Men maakt deze soort omschakelaars in tafel- en in kastvorm (PI. I fig. 2).De laatste is het meest in gebruik.De toestellen, van de aangesloten personen, waarvan PI. II fig. 5 een schematische voorstelling geeft, kunnen alsdan belangrijk vereenvoudigd worden. Behalve mikrofoon en telefoon is nog slechts een schel, verbonden met een condensator van 2 Mf (mikrofarad) noodig. Het mikrofoon wordt langs de primaire winding M van een inductor gevoed van uit de centrale batterij ; de telefoon ligt met de secundaire winding op de klemschroeven F in een afzonderlijken stroomloop. Met de klemschroeven L ab wordt de leiding en met W2, wanneer zulks noodig is, een tweede schel verbonden. De schakeling van zulk een telefoonbureau wordt schematisch afgebeeld in PI. III fig. 10. De van de preekplaats 1 komende leidingLj ab loopt over het opbelrelais AR, naar de beide polen van de centrale batterij ZB. In de a-leiding is de verzekering S, ingeschakeld. Van de hoofdleiding loopen draadverbindingen naar de alarmlamp AL„ naar het stopcontact KV,, waarvan er zooveel voorhanden zijn, als er deelnemers moeten bediend worden en het vraagcontact AK,. In den stroomloop van de centrale batterij liggen de condensator K en schel W. Neemt de deelnemer de telefoon F van den haak, dan legt deze zich automatisch tegen het onderste contact en voert den stroom van de centrale batterij over het mikrofoon M en de primaire winding van den inductor J, met welks secundaire de telefoon is verbonden. Dientengevolge trekt op het bureau het opbelrelais AR, zijn anker aan, waardoor langs het scheidingsrelais TR, de alarmlamp AL, en langs het control'relais CR de contrölelamp cL ontstoken wordt. Op iedere zitplaats heeft nu de daar aanwezige beambte een aantal (gewoonlijk 14) paren snoeren AS en VS tot zijn beschikking, die ieder met een omschakelaar H zijn verbonden. Ter beantwoording van het opbellen verbindt hij den vraagstop AS met het vraagcontact AK, en brengt gelijktijdig den omschakelaar H in den opbelstand(in de fig. naar links). Daardoor komen drie nieuwe stroomwegen tot stand: 1) van den negatieven pool van ZB langs de verzekering S7, afbeüamp SL,, vraagcontact AKj en scheidingsrelais TR, naar den positieven pool van ZB. De lamp SL, gloeit echter niet, omdat de groote weerstand van TR, den stroom te veel verzwakt. Wel echter trekt TR, zijn anker aan en doet daardoor de alarmlamp AL, uitgaan; 2) van de leidingen a en b over AKX en AS naar de telefoon F van den beambte en van hier naar de secundaire winding van

Sluiten