Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elkander verwijderde plaatsen, door middel van vastgestelde teekens, berichten kunnen worden overgebracht. De middelen, welke men hiertoe bezigt, zijn het geluid, het licht en de electriciteit. De werking van het geluid wordt echter reeds op korten afstand aanmerkelijk verzwakt, zoodat men voor een akoustischen telegraaf vele tusschenstations noodig heeft. Verder kunnen luchtstroomen enz. de voortplanting der geluidgolven belemmeren, zoodat men niet altijd zeker is, dat bijv. een kanonschot op het naaste station werkelijk gehoord wordt. Zulke seinmiddelen worden dan ook thans alleen gebezigd over korte afstanden op schepen, bij spoorwegen enz., waar men met fluiten, schellen, misthoorns enz. signalen geeft. Optische seintoestellen heeft men reeds in de Oudheid gebruikt; volgens Aeschylus vernam Clytemnestra den val van het op 655 km. afstand gelegen Troje nog in denzelfden nacht door op de bergen ontstoken vuren. Zulke vlamvuren waren verder bij de veldtochten van Hannibal, bij de Schotten en ook bij de Germanen in gebruik, zooals wij bij Thucydides, Polybius, J. Africanus en anderen vermeld vinden. Men verhaalt, dat Cleoxenos of Democlitos (450 v. Chr.) de letters van het Grieksche alfabet, verdeeld over vijf tafels heeft overgebracht door fakkels naar rechts of links omhoog te brengen en zoodoende eerst het nummer van een tafel en daarna dat van een letter op die tafel wist aan te geven. De optische telegrafie werd eerst verder ontwikkeld in de jaren 1789—1792 door de gebroeders Chappé. De toestel bestond uit drie balken, op een van verre zichtbare plaats beweegbaar aan een stellage vastgemaakt, zoodat men door de verschillende onderlinge standen een groot aantal teekens kon geven. Van Parijs naar Rijssel bracht men in 1794 met dezen toestel over 20 stations berichten over in 2 minuten. Dit vond navolging. Frankrijk bezat in 1844 : 534 van zulke stations en in Pruisen bestond sedert 1833 een lijn tusschen Berlijn, Keulen en Trier.

De telegraaf van Chappé heeft na dien tijd geen belangrijke veranderingen ondergaan. Thans gebruikt men de optische telegrafie, evenals de akoustische, enkel over kleine afstanden of in gevallen, die het spannen van draden onmogelijk maken, zooals bij het geven van tijdingen uit een belegerde stad aan troepen, welke tot ontzet komen opdagen; verder bij spoorwegen, bij de scheepvaart enz.

Als eerste electrische telegraaf moet die van Sommering beschouwd worden. Hij leidde (1809) 35 draden naar evenveel door letters, cijfers enz. van elkander onderscheiden vaten, gevuld met aangezuurd water en seinde nu een letter enz. over door, met behulp van den stroom van een zuil van Vlota, het water van het vat, waarop die letter enz. voorkwam, te ontleden. Later bracht hij de werking van den stroom over op een met joodkalium gedrenkte strook papier, waardoor daarop punten en strepen zichtbaar werden. Intusschen heeft deze toestel nooit practische waarde gehad, omdat hij te kostbaar was en men destijds ook geen stroomen van voldoende sterkte kon overbrengen.

Een nieuw tijdperk voor de electro-magnetische telegrafie begon in 1820, toen Orsted ontdekte, dat een magneetnaald, in de nabijheid van den sluitdraad van een zuil van Volta geplaatst, rechts of links afweek naar gelang van de richting van den stroom. Is deze naald door talrijke draadwindingen omgeven (multiplicator), dan reeds heeft een zwak-

XV

ke stroom een beweging van de magneetnaald ten gevolge; hierdoor was dus de mogelijkheid om over groote afstanden te telegrafeeren gegeven. Echter was noch de toestel van Ampère en Ritchie (1820) met 30 naalden en 60 draden, noch die van Fechner (1829) met 24 naalden en 48 draden geschikt voor toepassing in het groot. Eerst in 1832 trachtte P. von Schilling-Canstadt één naald met slechts twee draden te bezigen en de letters door het combineeren van verschillende afwijkingen der naald aan te duiden. Maar reeds in 1833 hadden Gauss en Weber te Göttingen tusschen de sterrenwacht en het natuurkundig kabinet een dergelijke, zelfstandig door hen bedachte, telegrafische gemeenschap tot stand gebracht. Op hunne aansporing legde Steinheil in 1837 tusschen München en Bogenhausen een telegraaflijn van 5,5 km. lengte aan; hij gebruikte evenals Gauss en Weber, inductiestroomen en fixeerde de teekens in den vorm van schrift, doordat de beide afwijkende magneetnaalden op een door een uurwerk regelmatig bewogen papierstrook punten of stippen teekende. In Engeland werd de naaldtelegraaf ingevoerd door Cooke en Wheatstone; de eerste had te Heidelberg in 1836 een model van den toestel van Schilling gezien en verbond zich in 1837 met Wheatstone tot verbetering en practische toepassing van Schillings uitvinding. De naaldtelegraaf van Wheatstone en Coolce bevat een astatisch stelsel van twee magneetnaalden, waarvan de eene binnen een draadspoel is gelegen, terwijl de andere als wijzer dienst doet. De seinen worden gegeven met behulp van een sleutel; door dezen te draaien krijgen de naalden van alle ingeschakelde toestellen eendusdanige afwijking, dat zij evenwijdig worden met den stand van den sleutel. Daar zwakke stroomen voldoende zijn om de gewenschte afwijkingen teweeg te brengen, gebruikt men de naaldtelegrafen vooral op kabellijnen. De verdere ontwikkeling der electromagnetische telegrafie berust op het gebruik van den electromagneet. Wheatstone bezigde aanvankelijk den electromagneet tot het in beweging brengen van een schel als alarmsein, doch kort daarna ook tot het vervaardigen van een wijzertelegraaf (1839), waarbij een door een uurwerk gedreven wijzer door een aan het anker van een electromagneet aangebrachten remtoestel van uit het verwijderde station van afzending naar willekeur voor één der aan den rand van de wijzerplaat geplaatste letters kon vastgehouden worden. In 1836 gelukte het Morse na langdurige proefnemingen om een electromagnetischen schrijftelegraaf te vervaardigen, die voor de algemeene telegrafie bruikbaar was en die verdere volmaking mogelijk maakte. Bij dezen toestel wordt door de langere of kortere inwerking van den stroom een anker, langer of korter aangetrokken, waardoor een schrijfstift die zich aan den ankerhefboom bevindt, op een strook papier punten en lijntjes teekent. Later werd deze stift vervangen door een kleurraadje, waarom de Morsetelegraaf ook wel blauwschrijver genoemd wordt. In dit schrift worden de letters van het alphabet aldus aangeduid: Verder heeft men druklettertelegrajen (van Hughes, enz.), die het telegram in gewonen letterdruk leveren. Uit de scheikundige telegrafen hebben zich de autografische telegrafen ontwikkeld. Zij brengen een getrouw facsimile van het handschrift over. Bij de oudere moet daartoe het handschrift eerst geprepareerd worden. Hiertoe behooren de

5

Sluiten