Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lingschap de tweede tempel, die van Zerubbabél gebouwd, welke waarschijnlijk naar het model van den eersten ingericht en in 516 voltooid werd, maar in grootte en pracht den voorgaanden niet kon evenaren. Dit gebouw werd door Antiochos Epiphanes in 169 ontheiligd, maar door Judas Maccabaeus hersteld en versterkt. Onder het bestuur van Eerodes den Groote werd sedert 21 v. Chr. deze tempel in Griekschen stijl herbouwd. Hij was bij de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen het laatste bolwerk der Joden. Hij werd toen verwoest, en op de plek, waai hij zich verhief, bouwde men in de 7de eeuw een moskee. Bijzonderheden over den tempel van Salomo vindt men in het eerste Boek van de Koningen, hoofdstuk 5—7 en in de Tweede Kronieken, hoofdstuk 2—4.

Tempel, Abraham van den, een Hollandsch schilder van portretten en historie-stukken, werd geboren te Leeuwarden in 1622 of 1623 en overleed te Amsterdam in 1672. Hij was een leerling van zijn vader Lambert Jacobsz. en vervo]gensv&Ti Joris van Schoo ten te Leiden. Naderhand kwam hij onder invloed van Van der Helst. Reeds vóór 1648 was hij te Leiden woonachtig en in de boeken van het St, Lucasgilde aldaar vinden wij op den lsten Mei 1660 vermeld, dat hij naar Amsterdam is vertrokken, waar hij sedert dien leefde. Zijn portretten, die vaak met die vanFan der Helst verward worden, zijn zeer juist van teekening en aangenaam van koloriet, terwijl zijn allegorische voorstellingen in het Stedelijk museum te Leiden fletser van kleur zijn. Werken van zijn hand bevinden zich hier te lande verder o. a. in het Mauritshuis te 's Gravenhage, in het Rijksmuseum te Amsterdam en inhetMuseumBoymans te Rotterdam.

Tempel, Ernst Wilhelm Leberecht, een Duitsch sterrenkundige, geboren den 4den December 1821 te Nieder-Kunersdorf bij Löbau in de Oberlausitz, vestigde zich te Marseille als lithograaf, hield zich bezig met sterrenkundige waarnemingen en was eenigen tijd werkzaam aan de sterrenwacht aldaar. In 1870 werd hem als Duitscher het land ontzegd, zoodat hij naar Italië vertrok, waar hij zich eerst geplaatst zag bij de sterrenwacht te Milaan en vervolgens bij die te Arcetri, niet ver van Florence. Hij heeft zich bekend gemaakt door de ontdekking van onderscheiden kometen en planetoïden in de

jaren 1859—1873, vooral door die der planetoïden Angelina, Cybele, Galathea, Terpsichoré en Clotho.

Tempelheeren of Tempeliers (Milites Templi, Templariï) is de naam van een geestelijke ridderorde, welke ten tijde der Kruistochten in Palestina werd gesticht. In 1119 namelijk vereenigden zich de Fransche ridders Hugo van Paens, Godfried de St. Omer, Rollant, Godfried Bisot, Paien de Montdidier en Archembaud de St. Amand om ter eere van de Heilige Maagd tegelijk ridders en monniken te zijn, om derhalve bij het graf van den Heiland zich te wijden aan een onberispelijken en vromen levenswandel, alsmede aan de verdediging van het Heilige Land en aan de beveiliging der bedevaartgangers.Zij kregen van koning Boudewijnll eengedeelte van zijn kasteel, gebouwd op de plaats, waar zich

weleer de tempel van Salomo bevond,weshalve zij den naam ontvingen van Tempelheeren. Daarenboven hadden zij in de nabijheid van het Heilige Graf onderscheiden gebouwen,waar behoeftige pelgrims een onderkomen vonden. Hun kleeding bestond uit een wit-linnen mantel met een achthoekig, bloedrood kruis en uit een witlinnen gordel. Hun zegel vertoonde eerst den tempel, later twee ruiters op één paard, namelijk een Tempelheer en een hulpbehoevenden pelgrim. De Orde werd in 1127 bevestigd door paus Homrius. In 1128 ontwierp Bemhard van Clairvaux te Troyes de eerste regels der Orde (uitgegeven door Schnürer in 1903Ï. Eerst bii

de herziening der statuten (uitgegeven door De Curzon in 1886), in het midden der 13de eeuw,werden de leden verdeeld in ridders, priesters en dienende broeders. Aan het hoofd der Orde bevond zich een grootmeester (Magister Templariorum), bekleed met vorstelijken rang; op hem volgden de groot-priors der afzonderlijke gewesten en na dezen de baillifs, priors en comturen. Naast den grootmeester stond het generaal kapittel of in plaats daarvan het convent te Jeruzalem, en hij mocht alleen met toestemming van dit lichaam over oorlog en vrede, koop en verkoop beslissen.

De Orde der Tempelheeren beantwoordde het meest aan het ideaal der ridderschap, zoodat zij zich spoedig uitbreidde en door schenkingen groote bezittingen en voorrechten verwierf. Omstreeks het jaar 1260 telde zij nagenoeg 28 000 ridders en bezat 9 000 comturijen, balijen, tempelhoven enz. Onder de opvolgers van Hugo van Paens (f 1135) in het grootmeesterschap vermelden wij: Bemhard van Tremelay, die in 1153 bij een aanval op Askalon sneuvelde Odo de Saint Amand (f 1179). Willem de Beaujeu, onder wiens aanvoering Akka, het laatste bolwerk der Christenen in Palestina, in handen der Saracenen viel, en Gaudini, onder wien de Orde in Mei 1291 terugtrok naar Cyprus. Reeds in de 13de eeuw deden zich luide klachten hooren over de aanmatiging, de trouweloosheid en de uitspattingen der Tempelieren. Meermalen heulden zij met de Saracenen en traden bijv. vijandelijk

Tempel te Jeruzalem (volgens de reconstructie van Chipiez).

Sluiten