Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beterde schilderen met olieverf verdrongen; in Italië geschiedde dit eerst omstreeks 1500. Cl het laatst van de 19de eeuw is een gewijzigde manier van temperaschilderen, vooral door toedoen van baron Pereira, weder in gebruik gekomen. Zij wordt het meest toegepast voor het schilderen van den ondergrond. Ook tooneeldecors worden wel op deze manier vervaardigd.

Temperament noemde men oorspronkelijk de gesteldheid van lichaam en ziel van een individu, die volgens vroegere meeningen door het overwicht van een van de vier hoofdsappen in het lichaam ontstond. Als hoofdsappen golden bloed (Lat. sanguis), slijm (Gr. phlegma), gele gal (Gr. cholos) en zwarte gal (Gr. melas cholos). Men zocht overeenkomst tusschen de 4 elementen en deze sappen. Men beschouwde het bloed als warm en vochtig, evenals de lucht, het slijm als koud en vochtig, evenals het water, de gele gal als warm en droog, evenals het vuur, en de zwarte gal als koud en droog, evenals de aarde. Daarnaar onderscheidde men een sanguinisch, phlegmatisch, cholerisch en melancholiek temperament. Een gezonde menging van de vier sappen leverde volgens bovenstaande definitie een normaal type; door afwijkingen ontstonden de temperamenten. Galenus, van wien deze onderscheiding afkomstig is, sprak dan ook niet van temperamenten, maar van dyskrasiën. Lang nadat men had ingezien, dat de grondslag, waarop deze onderscheiding berust, geheel verkeerd was, bleef men de indeeling in 4 temperamenten behouden, doch alleen met betrekking tot het gevoels- en het gemoedsleven. Men noemt dan cholerici en melancholici menschen, die aan sterke gemoedsbewegingen onderhevig zijn, sanguinici en phlegmatici menschen, waarbij de gemoedsbewegingen zwak zijn. Terwijl deze bij den melancholicus en den phlegmaticus een langzaam verloop hebben, gaan zij bij den cholericus en den sanguinicus snel voorbij. De pessimistische neigingen van den cholericus en melancholicus verklaart men daardoor, dat zij door zwakke indrukken betrekkelijk sterk aangedaan worden, zoodat zij de kleine lasten van het leven sterk voelen; bij den sanguinicus verdwijnen onaangename indrukken snel, bij den phlegmaticus lossen de nawerkingen van afwisselend aangename en onaangename indrukken zich in een gelijkmatige kalme stemming op. Daar de leer van de temperamenten meer op de traditie, dan op ervaring berust, doet men verkeerd, daaraan te veel waarde te hechten. Hoogstens kan men elk temperament als een type beschouwen, waartoe elk individu meer of minder naderen kan.

Temperatuur (Warmte). Twee lichamen bezitten gelijke temperatuur, wanneer bij aanraking geen warmte van het eene naar het andere overgaat. Lichamen van ongelijke temperatuur zijn zoodanig in een reeks te plaatsen, dat n°. 1 bij aanraking warmte afstaat aan n°. 2, deze aan n°. 3, enz. Om deze rangschikking te vinden, kan men gebruik maken van een of ander lichaam, waarvan zekere waarneembare eigenschappen door toe- of afvoer van warmte veranderen. Zulk een lichaam noemtmen een thermometer (zie aldaar). Op grond van verdere willekeurige aannamen kan men dan komen tot een temperatuur schaal, met behulp waarvan iedere warmte-toestand door een bepaald getal, de tempe¬

ratuur, wordt aangeduid. De gewone kwikthermometer met Celsius-schaal is hiervan een voorbeeld; willekeurig gekozen zijn daarbij de stof (kwik), de eigenschap, waarvan wordt gebruik gemaakt (uitzetting), de vaste punten (vries- en kookpunt van water), het aantal en de nummering van de verdeelingen.

Een temperatuurschaal, waarbij men geheel onafhankelijk is van de eigenschappen van een bepaalde stof is de absolute temperatuurschaal (lord Keivin), die op de tweede wet van de mechanische warmtetheorie is gebaseerd. Kiest men hier als eenheid weer den Celsius-graad, dan wordt het vriespunt van water door ongeveer 273, het kookpunt van water door 373 aangegeven; het nulpunt op deze schaal noemt men het absolute nulpunt. Op voorstel van prof. Kamerlingh Onnes worden temperaturen, uitgedrukt in deze schaal, genoemd naar Keivin, bijv. 273° K.

Hooge temperaturen worden gemeten door middel van pyrometers (zie aldaar). Zij kunnen worden voortgebracht: 1°. met behulp van de scheikundige energie, die vrij komt bij de verbranding van waterstof, koolstof of van hunne verbindingen, zooals benzine, petroleum, lichtgas, Siemensgas, watergas, Dowsongas, acetyleen, hoogovengas, enz. Door toepassing van het regeneratorbeginsel van Frederick en Wüliam Siemens (1861) en ook door bij de verbranding gebruik te maken van zuivere zuurstof in plaats van lucht, kunnen met verschillende der genoemde stoffen zeer hooge temperaturen worden bereikt, van 2000° C. en hooger. Temperaturen van 2000° tot 3000° zijn ook te verkrijgen door thermiet (zie aldaar). 2°. Door middel van electrische energie. Er zijn twee soorten van electrische ovens, n.L weerstandovens en lichtboogovens. Bij den weerstandoven is een dunne draad of reep van metaal (tot 1000° van nikkel, tot 1600° van platina) gewikkeld rondom een buis van aardewerk en verder voor warmteverliezen naar buiten beschermd door isoleerende stoffen. Als een electrische stroom door den draad geleid wordt, stijgt de temperatuur, die door regeling van den stroom gemakkelijk is constant te houden. Door het platina te vervangen door iridium zijn temperaturen tot 2000° C. en daarboven te bereiken. Bij den lichtboogoven (oven van Moissan) maakt men gebruik van de warmte, die in den galvanischen lichtboog tusschen twee koolstaven vrijkomt; hierin heerschen temperaturen van 3000° tot 4000° C.

Lage temperaturen worden gemeten met een pentaanthermometer (tot -190° C.), met een weerstandthermometer of thermoëlectrisch. Zij worden voortgebracht 1°. met behulp van zoogenaamde koudmakende mengsels, bestaande uit vast of vloeibaar water en verschillende zouten of zwavelzuur. Men kan hiermede afkoelingen van hoogstens 60° verkrijgen. 2°. Door het verdampen van vloeistoffen, zooals water, zwaveligzuur, ammoniak en van vloeibaar gemaakte gassen, zooalskoolzuur.chloormethyl, aethyleen, zuurstof, lucht, waterstof, helium. Koolzuur- en chloormethylgas kunnen door samenpersing bij kamertemperatuur tot vloeistof worden verdicht, de verd< r genoemde gassen moeten eerst beneden hun kritische temperatuur worden afgekoeld en kunnen dan door samenpersing vloeibaar worden (zieonder gassen). Onder den druk van 1 atmosfeer kookt chloormethvl bij -23° C. of 250° K., aethyleen bij -103° C. of 170° K., zuurstof bij -183° C. of 90° K.,

Sluiten