Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Z. oever. Deze tunnel is in het geheel 1893 m. lang, waarvan echter slechts 1362 m. deel uitmaken van den eigenlijken ondergrondschen bouw (een ijzeren buis van 8,24 m. middellijn). De tunnelhoogte bedraagt 5,38 m. Een dubbele tunnel voor den electrischen spoorweg City and South Londen is in 1890 boven de Londenbridge en in de nabijheid van het Monument-station aangelegd, terwijl zich verder boven de Black-friarsbrug tunnels voor den Waterloo-City-spoorweg en een andere voor den spoorweg van Finsbury park naar Moorgate street bevinden.

Theeroos. Zie Boos.

Theïne. Zie Caffeïne.

Tbeiner, Augustin, een Duitsch R.-Katholiek godgeleerde, geboren den Uien April 1804 te Breslau, studeerde aldaar en was eerst de vrijere richting van zijn broeder Anton toegedaan. Samen met dezen gaf hij het oppositiegeschrift „Die Einführung der erzwungenen Ehelosigkeit bei den christlichen Geistlichen (3"18 druk, met een inleiding van Nippold, 3 dln., Barmen, 1891—1897) in het licht, maar werd te Rome in 1833 voor het Ultramontanisme gewonnen. In 1855 werd hij praefect van het Vaticaansche archief, als hoedanig hij de aandacht trok door zijn hartstochtelijke bestrijding van het Protestantisme. Gedurende het Vaticaansche concilie verloor hij echter deze betrekking, daar men hem ervan verdacht, dat hij de bisschoppen der oppositie van oorkondenmateriaal had voorzien. Behalve dat hij een nieuwen druk en een voortzetting van de „Annales ecclesiastici" van Baronius bezorgde, schreef hij vele werken over het kerkrecht en de kerkgeschiedenis, waaronder: „Die neuesten Zustande der katholischen Kirche in Polen und Ruszland" (Augsburg, 1841), „Geschichte der Zurückkehr der regierenden Hauser von Braunschweig und Sachsen in den Schosz der katholischen Kirche" (Einsiedeln, 1843), „Die Staatskirche Ruszlands im Jahr 1839" (anoniem, Schaffhausen, 1844), „Zustande der katholischen Kirche in Schlesien von 1740—1758" (2 dln., Regensburg, 1852), „Ueber Ivo's vermeintliches Dekret" (Mainz, 1852), „Geschichte des Pontifikats Clemens' XIV." (2 dln., Leipzig en Parijs, 1853), „Documents inédits relatifs aux affaires relïgieuses de la France" (2 dln., Parijs, 1858), „Vetera monumenta Poloniae et Lithuaniae gentiumque finitimarum historiam illustrantia" (Rome, 4 dln., 1860—1864), „Vetera monumenta Slavorum meridionalium historiam illustrantia" (dl. 1, Rome, 1863), „Codex diplomaticus dominii temporalis S. Sedis" (3 dln., Rome, 1861—1862), „Vetera monumenta Hibernorum et Scotorum historiam illustrantia" (Rome, 1864), en „La souveraineté temporelle du Saint-Siège, jugée par les concilcs généraux de Lyon en 1245, de Constance en 1414" (Bar le duc, 1867). Hij overleed den 10den Augustus 1874. Na zijn dood verscheen door de zorg van bisschop Stroszmayer „Acta genuina oecumenici concilii Trindentini" (2 dln., Agram, 1875).

Theiner, Jóhann Anton, een Duitsch godgeleerde, een broeder van den voorgaande, geboren te Breslau den 15den December 1799, studeerde aldaar en werd in 1824 buitengewoon hoogleeraar in de uitlegkunde en het kerkelijk recht te Breslau. Toen hij in woord en geschrift de Gallicaansche en Josephinische beginselen verdedigde en deel nam aan de

hervormingsgezinde beweging in de R.-Katliolieke Kerk, werd hij door de Pruisische regeering geschorst. Hij legde toen het hoogleeraarsambt nederen werd achtervolgens pastoor te Polsnitz (1830), Grüssau en Hundsfeld. In 1845 legde hij deze waardigheid neder en sloot zich aan bij de Duitsch-Katholieke beweging. Weldra kwam hij in botsing met de leiders der nieuwe partij over de grenzen der hervorming en trok hij zich uit de beweging terug. Door den vorst-bisschop in den ban gedaan, woonde hij in afzondering te Breslau, totdat de Pruisische regeering hem benoemde tot secretaris der universiteitsboekerij aldaar. Hij overleed den 15den Mei 1860. Van zijn geschriften noemen wij: behalve het werk, dat hij samen met zijn broeder Augustin schreef: „Descriptio codicis manuscripti, qui versionem Pentateuchi arabican continet" (Breslau, 1822), „Die zwölf kleinen Propheten" (Leipzig, 1828), „Die heilige Schrift des Alten Testaments" (Leipzig, 1831), „Die reformatorischen Bestrebungen in der kath. Kirche" (3 stukken, Altenburg, 1845—1846) en „Das Soligkeitsdogma der röm.kath. Kirche" (Breslau, 1847).

Theïsme, een uitdrukking, die het eerst in Engeland werd gebruikt, is, in tegenstelling tot het atheïsme, de wijsgeerige wereldaanschouwing, waarin God als eerste en laatste oorzaak van alle dingen wordt beschouwd. Sommigen maken onderscheid tusschen theïsme en geloof in een openbaring; zij verstaan onder een theïst iemand, die wel is waar aan het ttestaan en het bestuur van God gelooft, maar die dat geloof ontleent aan verstandelijke overwegingen en niet aan de openbaring, welke hij verwerpt. Anderen maken daarentegen weder onderscheid tusschen theïsme en deïsme, in zooverre het laatste zich de oorzaak van het gebeuren der dingen, welke het God noemt, denkt als los van de aarde, die sedert haar schepping als aan zich zelf overgelaten moet beschouwd worden, terwijl het eerste gelooft aan het bestaan van een levenden God, die, als schepper en regeerder der wereld, aan haar ontwikkeling steeds handelend deelneemt.

Theisz (Iiongaarsch Tisza, bij de Ouden Tissus, Tisia of Pathissus) is de naam van de grootste zijrivier van de Donau en na deze de voornaamste rivier van Hongarije. Zij ontstaat in het comitaat Marmaros op de Woud-Karpaten, aan do grenzen van Galicië, uit de vereeniging van de Zwarte en de Witte Theisz, stroomt aanvankelijk zuidwaarts door nauwe bergkloven, stroomt, na het opnemen van de Visso, W. en N.W.-waarts langs Szigetnaar Huszt en betreedt bij Nagyszöllös de vlakte. Daarna stroomt zij Z.W.-waarts tot Szolnok, om dan Z.waarts haar loop, evenwijdig met dien van de Donau en gemiddeld 90 km. daarvan verwijderd, langs Csongrad en Szegedin tot aan de Donau voort te zetten. Beneden Titel en tegenover het dorp Slankamen mondt zij uit in de Donau. De oevers van de Theisz zijn veelal vlak en aan overstroomingen blootgesteld; zulk een overstrooming heeft in 1879 Szegedin geteisterd. De breedte der rivier bedraagt te Tisza-Ujlak 87, te Szolnok 135 en te Titel 232 m.; in den benedenloop wisselt zij af tusschen 150—250 m. Zij wordt voor vlotten en roeibooten bevaarbaar te Tisza-Ujlak, 969 km. boven de monding, en voor stoombooten op 767 km. afstand boven de monding; een regelmatig stoombootverkeer gaat echter slechts tot Szegedin, hoogstens tot Szolnok. De waterstand

Sluiten