Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar vooral door zijn bijtende satire op de moderne samenleving naam gemaakt. Hij begon als schrijver met de dorpsgeschiedenissen „Agricola"(Passau, 1897). Daarop volgden de satirieke novellen „Assessor Karlchen"(München, 1900) en, onder den schuilnaam Peter Schlemihl, de verzamelde, in „Simplicissimus" verschenen, gedichten, getiteld „Grobheiten" (München, 1901), waarop later „Neue Grobheiten" (München, 1903) en „Peter Schlemihl"(München, 1906) volgden. Tegelijkertijd schreef hij verschillende blijspelen, die eveneens een goed onthaal vonden, zooals: „Die Medaille"(München, 1901), „Die Lokalbahn" (München, 1902) en „Moral" (München, 1909); verder nieuwe dorpsgeschiedenissen getiteld: „Die Wilderer"(München, 1903) en „Andreas Vöst" (München, 1906). Het meeste succes had hij echter met de „Lausbubengeschichten" (35ste druk, München, 1908) en haar vervolg „Tante Frieda"(30ste druk, München, 1908). Bovendien schreef hij nog de novellen: „Der heilige Hies"(München, 1904), „Pistole oder Sabel"(München, 1905), „Kleinstadtgeschichten"(München, 1907) en den „Briefwechsel emesbayerischenLandtagsabgeordneten"(208tedruk, München, 1908).

Thomae, Johannes, een Duitsch wiskundige, geboren den llden December 1840 te Lauscha a. d. Unstrut, studeerde te Halle, Göttingen en Berlijn, werd in 1866 privaatdocent te Göttingen en in 1867 te Halle, waar hij in 1872 buitengewoon hoogleeraar werd. In 1874 werd hij gewoon hoogleeraar te Freiburg i. Br. en in 1879 te Jena. Hij schreef: „Abrisz einer Theorie der komplexen Funktionen und der Thetafunktionen einer Veranderlichen"(3de druk, Halle, 1890), „Elementare Theorie der analytischen Funktionen einer komplexen Veranderlichen"(2de druk, Halle, 1898), „De Kegelschnitte in reinprojektiver Behandlung"(Halle, 1894), „Grundrisz der analytischen Geometrie"(Leipzig, 1905) en „Sammlung von Formeln und Satzen aus dem Gebiete der elliptischen Funktionen"(Leipzig, 1905).

Thomas, St., een der Deensche West-Indische eilanden, tot de Kleine Antillen behoorende, ligt 57 km. ten O. van Portorico, 4 km. ten W. van het eveneens Deensche eiland St. John en 56 km. ten N. van Sainte Croix. Het is 21 km. lang, gemiddeld 4 km. breed, beslaat een oppervlakte van 86 v. km. en telt (1900) 11012 inwoners, waaronder 3000 Europeanen; de overige zijn Negers en Mulatten. Het eiland, dat een hoogte van 472 m. boven den zeespiegel bereikt, bestaat, behalve uit eruptieve gesteenten, uit krijtkalk. Voor het grootste gedeelte vertoont de oppervlakte spaarzaam begroeide, onvruchtbare rotsen. Het klimaat is warm en tamelijk gelijkmatig. Aardbevingen, maar meer nog vulkanen hebben er herhaaldelijk verwoestingen aangericht. De verbouw van rietsuiker is na de opheffing der slavernij (1847) bijna geheel te niet gegaan; toch produceert het eiland nog voortreffelijke rum. Als vrijhaven was het eiland vroeger een van de voornaamste stapelplaatsen van W. Indië; thans heeft het alleen beteekenis als kruispunt van verschillende stoomvaartlijnen. De hoofdstad, Charlotte Amalia, op de Z. kust, is een tamelijk goed beveiligde haven. Zij is de zetel van den gouverneur, heeft een dok voor stoomschepen tot 1200 ton, is een belangrijk scheepvaart- en kolenstation en telt 8000 inwoners.

Het eiland werd in 1493 door Columbus ontdekt en bevindt zich sedert 1671 bijna onafgebroken in het

bezit van Denemarken. De voorrechten van de voormalige Kopenhaagsche W. Indische Compagnie werden in 1755 opgeheven. Toen het eiland in 1900 aan de Vereenigde Staten van N. Amerika zou verkocht worden, ontstond daartegen in Denemarken zooveel verzet, dat de regeering het ontwerp-verdrag moest terugnemen.

Thomas, een der twaalf discipelen van Jezus, wordt in het vierde Evangelie volgens de Grieksche vertaling van den Arameeschen naam ook Didymus (Tweeling) genoemd en als een toonbeeld van ongeloovigheid voorgesteld,zoodat men in het dagelijksch leven van een ongeloovigen Thomas spreekt. Hij verkondigde volgens de overlevering het Christendom in Parthië. Een legende uit de 4de eeuw laat hem naar Indië trekken, waartoe de apokriefe „Acta Thomae" met hun Manicheesche kleur wellicht aanleiding hebben gegeven. Om die reden beschouwden de Indische Christenen, die sedert de 5de eeuw als Nestorianen uit de kerk gebannen werden, hem als den stichter van hun kerkgenootschap en noemden zij zich Thomaschristenen. Ook de Perzische Nestorianen beschouwden zich als zijn volgelingen. De apostel Thomas wordt ook als schrijver van een „Evangelium infantiae Christi", dat daarom ook „Evangelium secundum Thomam" genoemd wordt, beschouwd. Het tracht de ontbrekende gedeelten in de geschiedenis der kinderjaren van Jezus aan te vullen, maar geldt als apokrief. In de R. Katholieke Kerk is de 21ste December, in de Grieksch Katholieke de 6de October benevens de Zondag na Paschen aan Thomas gewijd.

Thomas, Alexander Louis Joseph, een Belgisch schilder, geboren in 1810 te Mahnédy in Pruisen, studeerde te Düsseldorf onder leiding van Schadow en te Antwerpen onder leiding van Van Bree. In 1839 debuteerde hij in den Belgischen salon met een schilderij „De Spaansclie koning Karei 11 zijn graftombe bezoekende". Daarop volgde een schilderij „De kinderen van koning Eduard, een voorstelling van Judas, ronddwalende in den nacht van Jezus' veroordeeling, welke schilderij op de tentoonstelling te Parijs in 1855 veel bijval vond, Barabbas op Golgotha, het oordeel van Salomo, en Maria op Golgotha. Ook schilderde hij een aantal portretten. Hij overleed in 1898 te Brussel.

Thomas, Ambroise, een Fransch componist, geboren den 6den Augustus 1811 te Metz, was de zoon van een leeraar in de muziek en studeerde aan het conservatorium te Parijs in het pianospel en in de compositieleer. In 1832 ontving hij den prix de Rome en vertrok naar Italië en Weenen. In 1836 keerde hij naar Parijs terug. Hij componeerde een aantal opera's, waarvan „Le Caid" (1849 opgevoerd), „Le songe d'une nuit d'été"(1850), „Mignon"(1866) en ,,Hamlet"(1868) buitengewoon veel bijval vonden. Verder vervaardigde hij een aantal kerkelijke muziekwerken o. a. een requiem, vele zangstukken, een strijkkwartet, een klaviertrio en verschillende werken voor de piano. Gedurende langen tijd was hij leeraar aan het conservatorium, van welke inrichting hij in 1871 directeur werd. Hij overleed den 12den Februari 1896 te Parijs. In 1900 werd aldaar een standbeeld voor hem opgericht.

Thomas, Abraham Everard Simon, een Nederlandsch gynaecoloog, geboren te Amsterdam den 6den Juni 1820, studeerde van 1838—1844 aldaar in de geneeskunde, vestigde zich daarna als geneesheer

Sluiten