Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Tigré, welke volgens sommigen Semietische Kaukasiërs zijn, behooren bijna alle tot de Koptische Christenen. Het weven van katoenen stoffen is hun eenige nijverheid van beteekenis. Hun taal stamt, evenals het Amharisch, van het Aethiopisch (Geez) af, hoewel zij er wezenlijke verschillen mede vertoont (zie Aethiopië).

De oude geschiedenis van Tigré valt met die van Aethiopië samen. Een tijdlang vormde het met Amhara één rijk. Sagabadis maakte zich echter van den koning van Amhara onafhankelijk, maar werd in 1830 door Oébié ten val gebracht en gedood. Deze werd op zijn beurt in 1855 door Theodorus II van Abessinië onderworpen, waarna Tigré een deel van dit rijk werd. In 1895 kwam het in bezit van de Italianen, die het echter na den slag bij Adoea (1896) weder moesten prijs geven.

Tigris, van het oud-Perzisch woord tigra (pijl), is een der voornaamste rivieren van Voor-Azië en na den Eufraat, waarmede zij Mesopotamië omsluit, de grootste van Aziatisch Turkije. Hij ontspringt uit verschillende bronrivieren aan de Z.lijke helling van den Taurus in Koerdistan. De W.lijke, Didsjle of Sjat geheeten, ontspringt ten Z. van Charpoet, stroomt langs Diarbekr, wendt zich O.waarts en neemt in een nauwe bergkloof bij Til den O.lijken arm, de Bohtantsjai, die ten Z. van Wan ontspringt en waarin de derde bronrivier, de Bitlistsjai, uitmondt, op. Vandaar af behoudt de Tigris in het algemeen een Z.O.lijke richting. Hij stroomt met groote bochten door de Assyrische vlakte langs Mosoel en Bagdad, nadert aldaar tot den Eufraat, waarmede hij door talrijke, thans meerendeels droge kanalen verbonden is, tot op een afstand van ongeveer 30 km. en vereenigt zich na een loop van ongeveer 1500 km. bij Korna met den Eufraat tot de rivier Sjat el Arab. Bij de vereeniging van die beide rivieren is de Tigris veel beter voorzien van water en veel sneller van stroom dan de Eufraat. Van de talrijke zijrivieren zijn de voornaamste: een tweetal, Zab genaamd, en de Diala, welke alle van links komen. De Tigris wordt bij Mosoel bevaarbaar voor schepen en bij Diarbekr voor kellek, dat zijn een eigenaardig soort van vlotten, op met lucht gevulde vellen van dieren drijvende. Hij is breed en diep, maar ook gevaarlijk wegens de vele rotsen. De oevers van den Tigris, eenmaal de zetel van een hooge beschaving, zijn thans eenzaam en woest. Behalve Diabekr, Mosoel en Bagdad liggen er geen belangrijke plaatsen aan.

Tihama (Arabisch = laag, warm land) heet de vlakke, meestal zandige en bijna regenlooze kuststrook van Arabië, welke tusschen de zee en het inwendige hoogland gelegen is. Vooral de kust van de Roode Zee en daarvan weder in het bijzonder het lage kustland van Z. Hedsjas en N. Jemen worden aldus genoemd. De tihama, waarop slechts salfolaceeën groeien, was vroeger door de zee bedekt, zooals dikke lagen van fossielen en zeezout bewijzen.

Tikal is de naam van een standaardgewicht in Fransch Voor-Indië van 10 toques van 100 parties voor zilver en van 128 voor goud. In Birma is het de Engelsche naam van den kyat of cheiat en in Siam is het de naam van een gewicht en van een zilveren munt (zie Bat).

Tikkanen, Johan Jakdb, een Finscli schrijver over kunstgeschiedenis, geboren den 7den December 1857 te Helsingfors, werd aldaar in 1884 leeraar en

XV

in 1897 buitengewoon hoogleeraar in de kunstgeschiedenis .Van zijn hand verschenen te Helsingfors de volgende werken in het Duitsch: „Der malerische Stil Giottos"(1884), „Die Genesismosaïken in Venedig und die Cottonbibel"(1889), „Eine illustrierte Klimax-Handschrift der Vatikanischen Bibliothek" (1890) en „Die Psalterillustratión im Mittelalter" (sedert 1895). Verder schreef hij het populaire werk: „Venedig och dess konst"(Helsingfors, 1891) en „Finska konstförenirgen 1846—1896"(Helsingfors, 1896).

Til, Salomon van, een Nederlandsch godgeleerde, geboren te Weesp den 268te» December 1643, studeerde te Utrecht en te Leiden en was achtereenvolgens predikant te Huisduinen, Rijp, Medemblik en Dordrecht, alwaar hij tevens, voor het bedanken voor een beroep naar Amsterdam, de waardigheid verkreeg van hoogleeraar aan de doorluchtige school. In 1702 werd hij hoogleeraar te Leiden. Hij was een volgeling van Coccejus en een aanhanger der Cartesiaansche wijsbegeerte. Van zijn talrijke geschriften noemen wij: „Inleydinge tot de prophetische schriften"(1682), „Het Euangelium Matthaei"(1683), „Het boek der Psalmen"(1693), „Digt-, zang- en speelkunst zoo der ouden als bijzonderderHebreeën" (1692), „Commentariën op de brieven van Paulus aan de Romeinen en Philippensen"(1702), „Theologiae utriusque compendium, cum naturalis tum revelatae"(1706), „De Tabernaculo Mosis"(1714) en „Opus analyticum"(2de druk, 2 dln., 1827). Hij overleed den 31stel1 October 1741 te Leiden.

Tilanns, Chrisliaan Bernard, een Nederlandsch geneeskundige, geboren te Harderwijk den 13den December 1796, studeerde te Utrecht en promoveerde aldaar in 1819 op een dissertatie: „De fungosa durae meningis excrescentia", nadat hij als student reeds een prijsvraag: „De nervis eorumque actione" beantwoord had. Daarna zette hij zijn studiën voort te Parijs onder Dupuytren en Lisfranc, vestigde zich te Arnhem als geneesheer en zag zich in 1828 benoemd tot hoogleeraar in de heel- en verloskunde aan de klinische school en aan het athenaeum te Amsterdam. Hij aanvaardde die betrekking met een redevoering: „Over de heelkunde op haar tegenwoordig standpunt, als bijzonder voor toepassing, minder voor uitbreiding geschikt". Hij nam in 1872 zijn ontslag en overleed den 8s,en Augustus 1883. Van zijn geschriften noemen wij: „Aanmerkingen over de onderbinding der slagaderen ter bestrijding van derzelver gezwellen aan de tegenovergestelde zijde van het hart"(1831), „Schets der heelkunde" (1835, 2de druk, 1840), „Iets over de vorming der membrana decidua vera en reflexa uteri"(1835), „Iets over de sterfte in de beide stads gasthuizen en over de tegenwoordige inrichting van het binnengasthuis te Amsterdam"(met G. C. B. Suringar, 1841), „Over de behandeling van carcinoma"(1851), „Behandeling van aneurysmata"(1855) en „Bijdrage tot de statistiek van het werktuigelijk verloop der baring"(1855).

Tilanus, Jan Willem Beinier, een zoon van den voorgaande, geboren te Arnhem den 12den Mei 1823, studeerde te Utrecht en te Amsterdam, verkreeg het doctoraat in de geneeskunde op een dissertatie: „De saliva et muco" en vestigde zich te Amsterdam, waar hij weldra assistent werd van zijn vader en in 1867 benoemd werd tot gewoon hoogleeraar in de chirurgie. Hij aanvaardde dit ambt met een redevoe-

12

Sluiten