Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en vooraf een eed afleggen, hebben den titel beëedigd translateur. In Nederlandsch Oost-Indië noemt men tolken of translateurs Europeanen of Oosterlingen die, de bevoegdheid bezitten schriftelijke of mondelinge vertalingen te verrichten uit de Nederlandsche in een Oostersche taal of omgekeerd. In 1819 werd besloten, dat er van gouvernementswege vaste translateurs zouden worden aangesteld. Deze ontvingen echter geen bezoldiging van het gouvernement, zij mochten hun diensten volgens vastgestelde tarieven in rekening brengen. In 1861 werd door het gouvernement een translateursbureau voor de Javaansche taal te Soerakarta opgericht. Zie ook Chineesche tolken.

Toll, Karl, graaf van. een Russisch generaal, geboren den 19den April 1777 in Esthland, trad in 1796

in Russischen dienst, nam in 1799 deel aan den veldtocht van Sosworow, streed bij Austerlitz, vervolgens tegen de Turken,werd in 1812 ge-

neraal-kwartiermeester van Koetoesow en in 1813 van Barclay de Tolly en op het slagveld van Leipzig lnitenantgeneraal. Nadat hij in 1825 tot generaal der infanterie was bevorderd, was hij in den veldtocht van 1828—1829 tegen de Turken chef van den generalen staf. Door de overwinning van den llden Juni 1829 bij Koelewtsja verwierf hij zich de gravenkroon. In den Poolschen veldtocht van 1831 stond hij opnieuw als chef van den generalen staf generaal Diebitsj ter zijde, nam na diens dood tijdelijk het op¬

perbevel over en bestuurde, na de verwonding van Paskewitsj, de bestorming van Warschau den 7den October. Daarop werd hij tot lid van den Russischen Rijksraad benoemd en in 1833 tot opperbestuurder der land- en waterwegen en der openbare gebouwen. Hij overleed te St. Petersburg den 5den Mei 1842.

Toll, Eduard, baron van, een Russisch poolreiziger, geboren den 24sten Maart 1858 in Esthland, studeerde te Dorpat in de natuurkunde, nam in 1882 deel aan een wetenschappelijke reis naar Algerië en de Balearen, was sedert 1884 werkzaam aan het mineralogisch museum van de academie te St. Petersburg, sedert 1888 als conservator, en later aan de rijksinrichting voor geologie. Van 1885—1886 deed hij, in opdracht van het keizerlijk Russisch geologisch genootschap, met Alexander Bunge een reis naar de Nieuw-Siberische eilanden en bezocht ze in 1893 voor de tweede maal.

In 1900 ondernam hij een tocht naar de Noordpool. Hij begaf zich met het schip Sarja langs de Siberische kust naar het schiereiland Taimyr, overwinterde aldaar, vertrok vervolgens naar de NieuwSiberische eilanden, overwinterde op het Kotelnyeiland, en verliet dit den 5dellJuni 1902 met zes tochtgenooten om het Benneteiland te onderzoeken. Van dezen tocht is hij niet teruggekeerd. Een expeditie onder luitenant Kollsjak, uitgezonden om hem te zoeken, vond op het Benneteüand een bericht van den 8sten November, 1903, waarin medegedeeld werd, dat Van Toll na het onderzoek van het Benneteiland getracht had over het ijs naar het zuiden te trekken. Verder heeft men niets meer van hem gehoord. Uit zijn nagelaten dagboeken, die de leden

I van de expeditie bij hun terugkeer in 1905 aan de

academie te retersburg overhandigden, gaf zijn weduwe uit: „De Russische poolreis van de Sarja 1900—1902" (1909).

Tollens, Hendrik Caroluszoon, een Nederlandsch dichter, een afstammeling van het Vlaamsche riddergeslacht Tollin, werd geboren te

Rotterdam den 24sten September 1780. Aanvankelijk opgevoed bij een bloedverwant teAmsterdam, vertoefde hij van zijn 10de tot zijn 15de jaar op een kostschool te Elten en kwam daarna in de ouderlijke woning te Rotterdam in de zaak van zijn vader, die handel dreef in drogerijen en verfstoffen. Weldra kregen de vrijheidlievende begrippen van zijn tijd veel invloed op hem, zoodat hij

een aantal vaderlandslievende gedichten en tooneelwerken schreef, die echter later niet met zijn overige werken werden uitgegeven. In 1797 maakte hij kennis met den letterkundig ontwikkelden uitgever Uylmbroek, die hem aanried zich op de studie van het Engelsch en het Duitsch toe te leggen, daar hij in zijn jeugd alleen Fransch had geleerd. Met het klassicisme werd hij alleen door vertalingen bekend; ook de romantiek maakte weinig indruk op hem. Eélmers en Feith oefenden invloed op zijn werken uit. In 1800 verscheen zijn „Proeve van sentimenteele geschriften en gedichten" (1800), in 1805 zijn „Proeve van minnezangen en idyllen" (3 stukjes), ontstaan uit zijn liefde jegens Gerbranda Catharina Rivier, met welke hij in 1800 in het huwelijk trad. Zijn „Dichtlievende mengeling" (1802) en het „Tuiltje van geurige dichtbloemen, op Franschen bodem geplukt" (1803) vonden grooten bij-

Sluiten