Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toonaard. Ieder van deze had zijn eigenaardig karakter. De muziek van de Grieken berustte in hoofdzaak op een onderscheiding van verschillende toonaarden. Ook bij de kerkelijke muziek van de Middeleeuwen kon men nog van het karakter van de verschillende toonaarden spreken. Zij vallen hier nog gedeeltelijk met de melodieën samen, doordat sommige overgangen en modulaties aan bepaalde toonaarden eigen zijn. Het begrip onderging een wijziging, toen in de 17de eeuw zich de groote en kleine tertstoonladders ontwikkelden (zie Toonladder). Doordat toen in een en denzelfden toonaard alle toonopvolgingen aangebracht konden worden, kon de melodie zich vrij ontwikkelen.

Ihans verstaat men onder toonaard de toepassin: van de groote en kleine tertstoonladder op de 1!

intervallen, zoodat men 24 toonaarden onderscheidt. Zie verder Toonladder.

Toonbrooden waren twaalf ongezuurde tarwebrooden, die door de Ketathieten voor eiken sabbat opnieuw werden bereid, en aan de priesters ten deel vielen. Elk brood was 10 handbreedten lang, 5 handbreedten breed en 7 vingerbreedten dik. Zij werden in den tempel of in den tabernakel op een met goudblik bedekte en met een gouden krans omgeven tafel uit acaciahout in twee rijen ten toon gesteld.

Toondemper of Sourdine is een instrument, dat dient om het geluid van muziekinstrumenten, vooral van snaarinstrumenten, te dempen.

Tooaeel noemt men dat gedeelte van den schouwburg, waar de voorstelling van het tooneelstuk plaats vindt. Zie verder Schouwburg.

Tooneelkljker (binocle, jumelle) is de naam van een dubbelen verrekijker. Zie verder Teleskoop.

Tooneelscherm. Zie Schouwburg.

Tooneelschool. Zie Nederlandsch Tooneelverbond.

Tooneelspel. Zie Drama.

Tooneelverbond, Nederlandsch. Zie Nederlandsch Tooneelverbond.

Toong-eslacht noemt men bij een accoord of toonaard het onderscheid van groote en kleine terts. Zie Toonladder.

Toonhaai (Muslelus mlgaris). Zie Haaivisschen.

Toonhoogte wordt in de muziek bepaald door het aantal trillingen van het toongevend voorwerp in een bepaalden tijd; hoe meer trillingen, hoe hooger de toon. Een instrument voor het meten van het aantal trillingen is de sirene (zie aldaar).

Toonkunst, Maatschappij tot bevordering der. Zie Maatschappij tot bevordering der Toonkunst.

Toonladder noemt men in de muziek de trapsgewijze opeenvolging van de tonen binnen de grenzen van een octaaf. Men onderscheidt de diatonische toonladder (zie Diatonisch) en de chromatische toonladder (zie Chromatisch). Uit de toonaarden (zie Toonaard) van de Middeleeuwsche kerkelijke muziek ontwikkelden zich de toonladders. De diatonische toonladder komt in twee vormen voor, n.1. in majeur (groote terts- of durtoonladder) en in mineur (kleine terts- of moktoonladder). De eerste omvat 5 heele en 2 halve tonen (halve tonen tusschen de 3de en 4de en de 7d® en 8"16 trap). De moltoonladder komt in 2 vormen voor, n. L

harmonisch en melodisch. De antieke moltoonladder had halve tonen tusschen de 2de en de 3de en de 5de en de 6de toontrap. Zij eindigde dus met een heelen toon en had daardoor niet het afsluitende van de durtoonladder. Daarom verhoogde men den 7den toon, zoodat men thans een toonladder kreeg met 3 halve tonen, n.1. tusschen de 2de en de 3de, de öde en de 6de en de 7de en de 8ste trap, terwijl de afstand tusschen de 6de en de 7de trap l'/2 toon bedroeg. Deze toonladder noemde men de harmonische. Tengevolge van de onmeloaische interval van 17a toon ontstond naast deze nog een andere, de melodische. Bij deze wordt niet alleen de 7de, maar ook de 6de toon verhoogd, doch alleen bij de opklimming; bij de afdaling worden de 6de en de 7d" toon weder verlaagd zoodat de daling gelijk is aan die van de antieke moltoonladder. Men kan eiken heelen of halven toon van de chromatische

toonladder als grondtoon nemen; daardoor komt de toonladder in 24 verschillende vormen voor. Deze vormen noemt men toonaarden. De groote tertstoonladder van c is c d e, f, g, a, b, c, de harmonische kleine terts-toonladder van a is a, b, c, d, e, f, gis, a, de melodische kleine terts-toonladder van a is klimmend, a, b, c, d, e, fis, gis, a en dalend a, g, f, e, d, c, b, a. De toonladders van c-dur en amol zijn die zonder voorteekens. Eén kruis hebben g-dur en e-mol, 2 kruisen d-dur en b-mol, 3 kruisen a-dur en fis-mol, 4 kruisen e-dur en cismol, 5 kruisen b-dur en gis-mol, 6 kruisen fis-dur en dis-mol; 1 mol hebben f-dur en d-mol, 2 mollen b-dur en g-mol, 3 mollen es-dur en c-mol, 4 mollen as-dur en f-mol, 5 mollen des-dur en b-mol.

Toonstelsel noemt men de wetten volgens welke de tonen geregeld en opgeteekend worden. Ook rekent men daartoe de hulpmiddelen, waarvan zich de musicus zoowel bij de compositie, als bij de uitvoering der muziek bedient, zooals notenschrift, contrapunt, harmonieleer enz. Terwijl het oudste toonstelsel slechts 6 toontrappen (zie aldaar) kent, omvat het tegenwoordige den afstand van 12 halve tonen. Zie verder Toonaard en Toonladder.

Toontrap noemt men in de muziek den afstand tusschen twee opvolgende tonen. Bij de diatonische toonladder onderscheidt men 7, bij de chromatische toonladder 12 toontrappen. Zie Toonladder.

Toonval is in de beperkte beteekenis van opeenvolging van klanken, de Nederlandsche naam voor cadans (Zie aldaar).

Toonverwantschap noemt men in de muziek de verhouding van accoorden, die één of meer tonen gemeen hebben. Men onderscheidt quintverwante drieklanken, die één toon gemeen hebben en tertsverwante drieklanken, die twee tonen gemeen hebben. De grondtonen van de eerste liggen een quint, van de laatste een terts van elkander verwijderd. Yoor de septimeaccoorden, die een geheelen drieklank gemeen

hebben, heeft men geen afzonderlijken naam.

In meer algemeenen zm duidt men met toonverwantschap aan, dat toonaarden, waarvan de tonische hoofdaccoorden quint- of tertsverwant zijn, elkander nader staan dan zulke, waarvan de to¬

nische drieklanken geen toon gemeen hebben.

loorenenberg-en, Albert van. een Neder¬

landsch godgeleerde, geboren te Utrecht den 288'611

Sluiten