Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Januari 1825, werd in 1851 predikant te Polsbroek, in 1853 te Hendrik Ido Ambacht, in 1856 te Purmerend, en in 1860 te Groningen. Van zijn geschriften vermelden wij: „Filips van Marnix, heer van St. Aldegonde. De bijenkorf der H. Roomsche Kerk enz." (2 dln., 1844—1845), „Keur uit de geschiedenis der martelaren van de Protestantsche, Apostolische, Katholieke Kerk"(2 dln., 1853—1856), „De martelaren van Gorkum enz." (1865), „Patristisch-biographisch woordenboek op de eerste zes eeuwen der christelijke kerk" (2 dln., 1889—1891), voortgezet door H. G. Klein, en verschillende leerredenen en bijdragen in tijdschriften. Hij overleed den 5aen Mei, 1886 te Groningen.

Toorop, Jan, een Hollandsch schilder en teekenaar van portretten en symbolische voorstellingen, werd geboren te Poerworedjo op Java den 20sten December 1860 en is thans te Nijmegen woonachtig. Op zijn dertiende jaar kwam hij naar Europa. Aanvankelijk zou hij voor Oost-Indisch ambtenaar opgeleid worden. Na gedeeltelijk den cursus voor middelbaar teekenen op de Polytechnische School te Delft gevolgd te hebben, ging hij naar de Rijksacademie te Amsterdam, daarna naar-de Academie te Brussel, waar hij onder Portaels werkte. Drie jaar lang was Toorop pensionnaire van wijlen Z. M. Willem III. In Brussel was hij in 1884 één van de oprichters van de vereeniging „les Vingt", die uit de beste jonge Belgische krachten bestond. Beurtelings bracht hij eenigen tijd in Parijs en Holland door, daarop volgde een verblijf in Londen, waar de lectuur van William Morris veel invloed op hem had. Na zijn huwelijk in 1886 vestigde hij . zich te 's Gravenliage, daarna woonde hij te Brussel, Katwijk, Den Haag, Amsterdam en Domburg en nu sedert eenige jaren te Nijmegen. In 1905 ging hij over tot het Katholicisme, wat niet naliet van invloed op zijn werk te zijn. Toorop is een zeer bizonder en veelzijdig artiest. Zijne werken zijn uiteenloopend als die van weinig andere kunstenaars. Zijn symboliek is eenvoudig en gemakkelijk te begrijpen. Veel succes heeft hij met zijn fijngeteekende portretjes, zooals die van Piet en Elsje Lukwell, mevrouw Snyder van Wissekercke en pastoor Verstraelen, anderen bewonderen weer zijn groote plein-air portretten, b. v. dat van dr. H. Muller. Van zijn symbolische voorstellingen noemen wij: „De drie bruiden", „Dalende gelooven", „De jonge Generatie", „Geloof en Loon", „O grave,where is thy victory?". Voor de nieuwe St. Bavo kerk te Haarlem maakte hij voorstellingen uit het leven van den heiligenAioi/siws.Werkenvan zijn hand bevinden zich behalve in genoemde kerk, in het Museum Mesdag te 's Gravenhage en vele particuliere verzamelingen.

Toorts (Verlascum) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Toortsachtigen ("Verbasceae), welke zich onderscheidt door een 5-lobbigen of 5-spletigen kelk, door een bloemkroon met 4 of 5 meeldraden met eenhokkige helmknoppen en door een tweehokkige, veelzadige doosvrucht. De soorten van het geslacht Verbascum zijn meerendeels rijzige, tweejarige planten met een bloemstengel, die wel eens 2 m. hoog wordt. Zij bloeien in Juni en Augustus, en men herkent ze aan de lichtgele wol, waarmede stengel, bladeren en bloemknoppen bedekt zijn, aan haar veelal zwavelgele bloemen en zonderling gevormde meeldraden. Zij worden ook wel nacht- of koningskroon genoemd en groeien vooral op hooge,

onbebouwde gronden, langs wegen en bosschen. In ons land heeft men de Meiribloemige toorts (F. Schraderi), de grootbloemige toorts (F. Ihapsiforme), de phlomisachtige toorts (F. Plilomoides), de lychnisachtige toorts (F. lychnitis), de zwarte toorts (V. nigrum) en de motwerende toorts (F. Blattaria, alsmede eenige variëteiten.

Toost. Zie Toast.

Tooverlantaren (Laierna magica, Sciopticon) is de naam van een door Kircher omstreeks 1646 uitgevonden toestel, waarvan de werking berust op de eigenschap van convexe lenzen om van een voorwerp, dat zich op een afstand, grooter dan de brandpuntsafstand, bevindt, een vergroot beeld te ontwerpen, dat op een scherm kan worden bpgevangen. Als voorwerpen gebruikt men doorschijnende, beschilderde glazen plaatjes of photografieën, die door een vlam helder worden verlicht. Het sciopticon, een verbeterde vorm van de tooverlantaren, bestaat uit twee in één buis vereenigde, achromatische lenzenstelsels, welke een beeld ontwerpen van het voorwerp, dat verlicht wordt door een of andere lichtbron, waarvan de stralen met behulp van een hollen spiegel en 2 planconvexe lenzen op het voorwerp worden geworpen. Men gebruikt het sciopticon in den laatsten tijd veelvuldig ter illustratie van mondelinge voordrachten.

Tooverij of magie (ars magica) is de naam van de denkbeeldige kunst, welke met geheime middelen bovennatuurlijke dingen meent te kunnen verrichten. De naam magie gaven de Grieken aan de tooverij, welke zich hulde in wijsgeerige en thëurgische vormen en waarvan de Babylonische magiërs de grondleggers waren. Als regel mag aangenomen worden, dat de magie voorkwam bij volkeren, welke nog slechts een geringen graad van beschaving bezaten. Vandaar de meening bij meer beschaafde volkeren, dat het magisch vermogen in het bezit was van de lagere stammen, in onze dagen bijv. van de Zigeuners. Reeds de Chaldaeërs hebben de astrologie in dienst der magie gesteld. Met den sterrendienst kwam deze bij de Syrische en Phoenicische volksstammen, van welke de Grieken en Romeinen haar overnamen. Door de verbinding van de magie met godsdienst en wijsbegeerte, ontstond de thëurgische magie der neo-platonici, volgens welke de ziel als uitvloeisel van het absolute met onbegrensde vermogens was toegerust Door strenge ascese en het vervullen van godsdienstige ceremoniën, komt de ziel met de goden in verbinding, ja kon zij zelfs één worden met het absolute. Ook te Rome kwam de magie, met uitsluiting van de astrologie, waarvoor waarnemingen van planeten verricht moesten worden, reeds vroeg in zwang, ofschoon er van tijd tot tijd edicten tegen werden uitgevaardigd. In de Middeleeuwen maakte men onderscheid tusschen zwarte en witte magie, alnaarmate men meende, dat de tooverij moest bewerkstelligd worden met behulp van aardsche of hemelsche machten, van kwade of goede geesten. Een grooten invloed oefende daarbij het geloof aan den duivel uit, dat in de heksenprocessen (zie aldaar) tot treurige gevolgen leidde. In onzen tijd heeft veel, dat men vroeger erkende tot het gebied der tooverij, zijn geheimzinnig karakter verloren. Vooral de persoonlijke inwerkingen zijn door juistere kennis, met name van het hypnotisme, in een helderder licht getreden. Aan den anderen kant is echter

Sluiten