Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tigde zich in 1875 te Nordhausen en in 1891 te Berlijn. In 1871 werd hij lid van den Rijksdag en later ook van het Pruisisch Huis, van Afgevaardigden, waar hij zich bij de Duitsch- vrijzinnige partij voegde. Hij schreef: ,,Gedichte"(1858), „Übergange" (1860), „Tannenreiser, Weihnachts-Arabesken" (1864), „1870, sechs Zeitgedichte" (1870) en voor het tooneel: „Die letzte Puppe"(1864), „Eine Stunde vor der Hochzeit" (1871) en „Morgenstündchen einer Soubrette" (met I'ohl). Verder schreef hij de geïllustreerde verzamelingen: „Stimmen der Liebe" (1861) en „Deutsche Lieder in Volkes Mund und Herz" (1864). Van 1866—1883 gaf hij het jaarboek: „Deutsche Kunst in Bild und Lied" uit.

Tragisch is een aesthetisch begrip, waarmee een geheel van intensieve en gecompliceerde aandoeningen wordt aangeduid. Deze aandoeningen worden gewekt door de vernietiging van iets, dat waarde geeft aan het leven, en inzonderheid door het aanschouwen van den strijd, die tegen de oorzaak van de vernietiging wordt gevoerd. De tragische werking hangt vooral af van de waarde van het goed, waarvoor gestreden wordt, en van de gesteldheid van de vernietigende oorzaak. Het eerste kan aan een enkeling, doch ook aan een gemeenschap behooren, zoo kan bijv. de vernietiging van de vrijheid van een volk tragisch werken. De vernietigende oorzaak of tragische tegenwerkende kracht kan liggen in de natuur of in de menschen. Inzonderheid doen het onberekenbare en overwachte samentreffen van verschillend werkende levenskrachten tragische botsingen ontstaan. De tragische tegenwerkende kracht is van te meer belang, naarmate zij meer verheven is; zulke verheven krachten zijn bijv. de vernietigende macht van de elementen of het algemeen zedelijk bewustzijn, dat zich boven het bewustzijn van het individu verheft. Het bewustzijn van den enkeling is in den regel als tragisch tegenwerkende kracht onvoldoende; dikwijls bedient het zich daarom van de intrige, die echter geen echt tragische werking uitoefent, daar zij niet verheven is. Somtijds neemt men aan, dat de een of andere schuld van het ondergaande element een noodzakelijk bestanddeel van de tragisch tegenwerkende kracht uitmaakt. Door deze beschouwing wordt het tragisch probleem op zedelijk gebied overgebracht, waar het niet thuis behoort. Ook zijn er vele tragische gevallen, waarbij van een schuld geen sprake is. Wel werkt het gevoel van schuld tot verscherping van het lijden mee. Sommigen nemen alleen een tragische schuld aan, wanneer de handelende persoon door de omstandigheden gedwongen wordt, iets te doen, wat hij eigenlijk verafschuwt. Ook de door velen aangenomen meening, dat de tragische gebeurtenissen zich noodzakelijk op deze wijze moesten ontwikkelen, wordt dikwijls betwist. Wel moet de aanschouwer van het logische van de ontwikkeling zijn overtuigd, het gevoel echter, dat alles anders had kunnen zijn, verhoogt den tragischen indruk. Het tragische openbaart zich in het leven en in de kunst, inzonderheid in het drama. De aandoeningen, die het wekt, zijn uit verschillende factoren samengesteld. Aristoteles noemde als de voornaamste medelijden en vrees. Echter zijn deze gevoelens veel meer gecompliceerd. In de eerste plaats ont¬

staat bij den toeschouwer een sterk gevoel van de waarde van het goed, waarvoor gestreden wordt. Dit doet spanning en een toenemend gevoel van onlust en verdriet over de vernietiging ontstaan. Meestal echter eindigen tragische voorstellingen niet met zulk een dissonant, vooral niet in de kunst. Verschillende beschouwingen lossen deze gevoelens op in een gevoel van ontspanning en bevrijding.

Tragopaan of Saterhoen (Ceratornis) is een soort hoendervogels uit de familie van de fazanten. Zij hebben een gedrongen lichaamsbouw, een korten, tamelijk zwarten snavel, korte pooten met krachtige sporen, vleugels van een gemiddelde lengte en een korten, breeden staart. De haan heeft op den kop 2 beweegbare uitwassen, die aan den achterrand van de naakte plek, die het oog omgeeft, ontspringen. Deze naakte plek strekt zich uit over de wangen tot aan de onderkaak en hangt van voren samen met een naakte plek aan de keel, die kan opzwellen en aan weerszijden in een groote lel eindigt. In den paartijd hebben deze uitwassen en lellen den grootsten omvang en de levendigste kleuren. De haan bezit een fraai veerenkleed en een kuif op den achterkop; het wijfje mist de naakte plekken aan den kop en heeft eenvoudiger kleuren. Het mannetje wordt ongeveer zoo groot als een flinke huishaan. Tot deze soort behooren o. a. het saterhoen (ceratornis satyra) en de jewar (ceratornis melanoceyhala). In 1836 kwam de eerste tragopaan in den dierentuin te Londen, thans heeft men ze in verschillende diergaarden; zij zijn echter nog hoog in prijs. De meest voorkomende, de ceratornis Temminckü, kost ongeveer 180 gulden, de ceratornis satyra ongeveer 300 gulden, de overige soorten zijn duurder.

Tragopogon. Zie Boksbaard.

Traiguën een stad in de Chileensche provincie Malleco, ligt aan een zijrivier van den Rio Imperial en is het eindpunt van den spoorweg, die van Concepcion uitgaat. De stad heeft belangrijke markten voor landbouwgereedschappen, timmerhout en graan. Het aantal inwoners bedraagt (1902) 7 099

Traineeren, Zie Trainen.

Trainen of Traineeren noemt men de systematische voorbereiding voor een groote lichamelijke krachtsinspanning, inzonderheid die, waaraan sportbeoefenaars zich onderwerpen en die, welke paarden voor wedrennen ondergaan. De voorbereiding bestaat hoofdzakelijk in het uitvoeren van geleidelijk in moeielijkheid opklimmende oefeningen en het in acht nemen van een gepast diëet.

Trajanus of Marius Ulpius Trajanus, een Romeinsch keizer, waarschijnlijk geboren in 63 n. Chr. te Italica, niet ver van het hedendaagsche Sevilla in Spanje, was in 91 consul en voerde in 97 bevel over de legioenen aan den Neder-Rijn, toen hij door Nerva als zoon aangenomen en tot mederegent benoemd werd. In het jaar 98 verkreeg hij na het overlijden van Nerva de heerschappij en bleef gedurende onvermoeid werkzaam aan de verhooging van de welvaart en van de macht van het Romeinsche rijk. Dit blijkt vooral uit zijn briefwisseling met den jongeren Plinius, toen deze van 111—113 met het beheer van Bithynië was belast. Tot zijn weldadige instellingen behooren ook vooral de gebouwen, die hij te Rome en in Italië deed verrijzen voor de opvoeding van onbemiddelde kinderen. Verder deed

Sluiten